zondag 17 december 2017

Het kleine zoeken naar vrede

Overweging

Het verlangen naar licht, naar vrede en saamhorigheid lijkt ons met Kerstmis meer te beroeren dan in andere tijden van het jaar. Misschien komt dat wel door de duisternis en het gure weer, die in de natuur de overhand hebben. Of deels ook door het schrale klimaat, dat in onze samenleving van vele kanten op ons afkomt.

Dat verlangen naar vrede en harmonie drukt zich tegenwoordig vaak uit in het uitbundige licht, waarmee we onze kerstbomen of zelfs de buitenkant van ons hele huis optuigen. Soms denk ik wel eens, dat dit vele licht in onze straten als een soort bezwering wordt ingezet om onze tekort aan innerlijk licht te maskeren. Het verlangen naar harmonie is ook zichtbaar in de behoefte aan het gezellige samenzijn met familie en vrienden.

zondag 10 december 2017

Voor de mensen

Interview met Ineke Priem
in de serie Graven naar geloof

De manier waarop Ineke Priem in het leven staat is mede bepaald door het gegeven, dat er thuis altijd de zorg was (en nog is) om haar gehandicapte zus. Rekening houden met anderen, klaar staan voor wie een beroep op je doet: dat is Ineke om zo te zeggen met de paplepel ingegeven. 'Nee' zeggen gaat haar dus niet gemakkelijk af. Er kan altijd nog wel een klusje of een taak bij.

Zo ging het ook toen pastor Tom Brooijmans haar in 1999 vroeg om per week tien uur beschikbaar te willen zijn voor het opzetten van een parochiekantoor. 'Dat wilde ik wel doen, maar dan graag samen met een ander,' vertelt Ineke. Die ander werd Plonie Paree, die gaandeweg de meeste uren op het kantoor in de Zusterstraat te Goes aanwezig was. De taken van Ineke verschoven op den duur meer in de richting van het notuleren van vergaderingen van de besturen van de Damiaanparochie en (later) van de Mariaparochie. Ook van de gezamenlijke vergaderingen van de twee besturen werden door Ineke verslag gemaakt. 'Mijn ervaring als directiesecretaresse bij een groot bedrijf in Kapelle kwamen mij bij dat alles goed van pas. En,' voegt Ineke daaraan toe, 'het was fijn om dit werk met Plonie samen te doen. We hebben veel met elkaar gedeeld in deze jaren.' Ook de samenwerking met Riet Hopmans de laatste jaren heeft haar met een glimlach naar het werk doen gaan.

zondag 3 december 2017

Voeding geven

Overweging bij de 1e zondag van de Advent (jaar B)

Lezingen: Jesaja 63,16b-17.19b; 64,3b-8; Marcus 13,33-37

Claudia is een week naar haar moeder, die woont in het oosten van het land. Voor de gezelligheid, maar ook om een stuk mantelzorg te verlenen. Peter, haar man, moet zich dan even zelf zien te bedruipen. Ja, dat voelt toch anders als moeder de vrouw van huis is. Hij kan meer zijn eigen gang gaan, maar moet tegelijk zelf voor zijn eten zorgen en de was bijhouden. In zo'n situatie kun je de zorg voor het huishouden op twee manieren voor je rekening nemen. Je doet de noodzakelijke dingen om, als Claudia weer thuis komt, gedonder te voorkomen. Of je kunt zorgen, dat ze een warm welkom ervaart, bijvoorbeeld doordat er een bloemetje in huis is en de gezamenlijke maaltijd speciale aandacht krijgt. De eerste houding – zou je kunnen zeggen – is er een van 'op je hoede zijn',  de tweede van een hartelijke en warme thuiskomst. De eerste weerspiegelt een gevoel van kilte en onverschilligheid, misschien ook angst, de tweede van toewijding en genegenheid.

De woorden uit het evangelie klinken alsof ze passen bij de eerste houding. Want Jezus begint met woorden die nogal dreigend klinken: 'Weest op uw hoede.' Dat heeft iets van: jezelf schrap zetten, alert zijn op mogelijk gevaar. We kunnen ons afvragen, waarom Jezus zo'n waarschuwende toon gebruikt als hij in gesprek is met vier van zijn volgelingen. De passage die de evangelist Marcus ons vandaag voorhoudt, wordt (als je zijn verhaal verder zou lezen) vrijwel meteen gevolgd door de laatste maaltijd van Jezus en zijn vrienden. En we weten hoe het verder gaat: de gruwelijke lijdensweg met Jezus' dood als voorlopig sluitstuk.

zondag 26 november 2017

Bidden door de telefoon

Een ervaring

Die maandagavond kwam ik thuis om 21:45 uur. Ik zag dat ik twee gemiste telefoontjes had van hetzelfde Belgische GSM-nummer. Ik belde terug en kreeg een jongeman met – inderdaad – een Belgisch accent aan de lijn. Hij was dringend op zoek naar een priester, die bereid was diezelfde avond nog biecht te horen. Hij verbleef in Vlissingen, dus legde ik contact met de lokale pastoor. Die was echter niet in de gelegenheid om de betreffende avond nog de jongeman te ontvangen. Wel de dag daarop.

Voorzien van die kennis belde ik de jongeman terug. In het tweede gesprek gaf hij aan, dat hem was
aangeraden nog die avond te biechten. Want, zo vertelde hij, een angstige droom had hem de voorgaande nacht twee keer bezocht. In die droom bevond hij zich in een cel, waar een bewaker voor had post gevat, maar die hij niet kon zien. Het opgesloten zijn vatte hij op als 'verkeerd bezig te zijn' en de bewaker moest erop toezien dat hij daarvoor zou boete doen.

Ondanks zijn aandringen kon ik hem niet in het vooruitzicht stellen nog diezelfde avond een biechtgesprek te hebben. Ik realiseerde met dat hij acuut behoefte had aan enige vorm van steun, want hij klonk nogal verward en angstig. Ik heb aangeboden om du moment samen met hem te bidden, want 'ook door de telefoon zal Onze Lieve Heer wel begrip hebben voor dit gebed.' Ik heb hem verteld, dat ik voor aanvang van het gebed een kaars zou aansteken met daarop een afbeelding van een vredesduif, die desgewenst ook symbool zou kunnen staan voor de heilige Geest. Zo hebben we dus gebeden: dat God de duisternis zou wegnemen en het licht zou geven dat op dit moment erg hard nodig was. We sloten af met het Onze Vader.

Daarna heb ik de jongeman geadviseerd zijn angstige droom als het ware weerstand te bieden door te gaan denken aan positieve ervaringen in zijn leven. En om die gedachtegang te ondersteunen heb ik aangeboden een foto van de kaars, waarbij we gebeden hadden, aan hem door te sturen via WhatsApp. Nadat ik dit had gedaan reageerde hij terug: 'Hartelijk dank. Zal mij helpen om aan het positieve te denken.'

De volgende dag liet ik hem – opnieuw met WhatsApp – het tijdstip weten, waarop hij terecht kon voor het biechtgesprek. Zijn reactie: 'Dat is een pak van mijn hart. Hartelijk dank voor alles, de kaars heeft geholpen. En het gebed ook.'

Een week later nam de jongeman de moeite om – opnieuw via WhatsApp – te laten weten: 'Hartelijk bedankt, de biecht heeft me enorm geholpen en ik heb een nieuwe start gekregen en genomen.'

zondag 19 november 2017

Signalen van hoop

Overweging bij de 33e zondag door het jaar (jaar A)

Lezingen: Spreuken 31,10-13.19v.30v; 1 Tesssalonisenzen 5,1-6; Matteüs 25,14-20

Er zijn veel zaken waar mensen zich zorgen over kunnen maken. Je gezondheid kan bijvoorbeeld aanleiding geven tot bezorgdheid. Of ook de manier waarop je kinderen hun plek moeten vinden in onze vaak chaotische wereld. De toenemende kloof tussen rijk en arm, niet alleen in Nederland, maar ook wereldwijd, baart nogal wat mensen grote zorgen. Als je niet uitkijkt, dan zou de wanhoop je om het hart kunnen slaan.

Gelukkig zijn er ook tekenen van hoop. Er zijn mensen die zich hun optimisme niet laten afnemen. Voor veel mensen is de enorme inzet van vrijwilligers op vele terreinen in de samenleving een teken van hoop. Maar ook de gewone alledaagse zorg die mensen met liefde en toewijding aan elkaar besteden laat zien, dat onze wereld nog niet voorgoed verloren is.

Rimpels

Signalen van hoop beluisteren we ook in de schriftlezingen van deze zondag. Al moeten we meteen vaststellen, dat het verhaal uit het evangelie ook wat rimpels tussen de wenkbrauwen oplevert. Want wat moet je nou met zo’n heer, die zijn knecht uitfoetert en eruit gooit. Dat klinkt toch helemaal niet zoals we Jezus doorgaans kennen? Dat heeft toch niets met de blijde boodschap te maken?

zondag 5 november 2017

Omgaan met imperfectie

Beschouwing

De tragische gebeurtenissen rond het zoeken en vinden van het lichaam van Anne Faber hebben in de samenleving veel los gemaakt. Door gebeurtenissen als deze wordt nieuwe voeding gegeven aan een maatschappelijke discussie, waarin geen eenduidige antwoorden te geven zijn. De worsteling over de bewegingsruimte van zedendelinquenten legt een pijnpunt bloot in onze samenleving, waarvoor geen simpele oplossing beschikbaar is. Het mag duidelijk zijn, dat wie schade toebrengt aan individuen of groepen binnen onze samenleving, daarvan (zoveel als mogelijk) moet worden weerhouden. Of – in geval van reeds berokkende schade – daarvoor moet worden bestraft volgens de geldende rechtspraak. En wanneer de dader zijn/haar straf heeft uitgezeten, moet er de mogelijkheid zijn om op een of andere wijze terug te keren in de samenleving.

Maakbaar

Laat mij heel duidelijk zijn. Gedwongen seksuele omgang met kinderen of volwassenen, op welke wijze dan ook, keur ik ten stelligste af. En tegelijk constateer ik, dat de maatschappelijke onrust, die ontstaat wanneer bekend wordt dat een veroordeelde (zeden)delinquent vrij komt, een verontrustend signaal is van iets dat veel dieper zit. De vraag is immers, hoe wij als samenleving omgaan met het imperfecte. Het algemene aanvoelen is: het kwaad dat ooit is aangericht, kan, mag en zal niet meer worden getolereerd. De persoon, die dat onheil op zijn geweten heeft, mag op geen enkele wijze de kans krijgen terug te vallen in het kwalijke gedrag. Dat willen we niet meer zien gebeuren. En dus moet de dader zover mogelijk verwijderd worden van waar wij het kwaad zouden kunnen waarnemen. Het is deze maatschappelijke onrust die ertoe leidt, dat we een mogelijke toekomstige recidivist feitelijk de toegang tot onze samenleving ontzeggen.

zondag 29 oktober 2017

Het recht van de zwakste

Overweging bij de 30e zondag door het jaar (jaar A)

Lezingen: Exodus 22,20-26; Matteüs 22,34-40

Groep 7 is een leuke klas, maar er zijn twee kinderen die er niet bij horen. Ze liggen eruit. Hun kleren lopen vier jaar achter bij de huidige mode. Maar ook in hun gedrag lijken ze niet in deze groep te passen, want ze leggen moeilijk contact met andere kinderen. En als ze het al proberen, dan gebeurt dat op een stuntelige manier. Hun gevoel voor eigenwaarde is in deze groep niet erg groot. Maar de leerkracht probeert er wel wat aan te doen. In de gymles, als er spellen worden gedaan, zijn zij degenen die de teams mogen kiezen. Op die momenten groeit hun zelfvertrouwen.

Bij de voedselbank Goes

Recht doen

Wat hier gebeurt, is eigenlijk een heel bijbels gegeven. De mensen die niet meetellen, worden heel uitdrukkelijk wel meegeteld. We hebben dat ook gehoord uit de eerste lezing. Het fragment uit het boek van de Uittocht is een gedeelte uit het wetboek van Israël. Dit wetboek is een bijzonder wetboek. Het onderscheidt zich van vele gangbare wetboeken in onze wereld. Het wetboek van Israël gaat namelijk niet uit van het recht van de sterkste, maar van het recht van de zwakste. In dit wetboek wijst God de richting door ruimte te maken voor de vreemdeling, de asielzoeker. Zijn leven heeft voor God even veel waarde, misschien zelfs meer waarde dan het leven van de ingezetene, de gegoede burger. God neemt het op voor mensen, die het niet voor zichzelf kunnen opnemen. In het wetboek van Israël wijst God de richting door recht te doen aan weduwen en wezen. In die tijd konden weduwen en wezen geen beroep doen op de Algemene Nabestaandenwet, zij waren aangewezen op de welwillendheid van de mensen in hun omgeving. Recht doen aan vreemdeling, weduwe en wees komt feitelijk overeen met recht doen aan God zelf.