Overweging bij het feest van de Gedaanteverandering (jaar A)
Lezingen: Daniël 7,9-10;13-14; Matteüs 17,1-9
Je hoort wel eens van mensen die een hoge berg beklommen hebben, dat ze daar een overweldigende ervaring hadden van de absolute schoonheid van de natuur. Het zou bijna een mystieke ervaring kunnen zijn. Misschien zelfs een ervaring van: een beetje dichter bij God te zijn. Het is een ervaring die je later – terug in het gewone leven – niet gauw vergeten zult. Je wilt dat vasthouden, omdat het zo'n
fantastische indruk op je maakte. Een
topervaring zou je het kunnen noemen, zowel in letterlijke als figuurlijke zin.
Stem
 |
Icoon van de Gedaanteverandering
(Metamorphosiskerk, Pythagorion,
Samos, Griekenland) |
De berg als beeld van dicht bij God te zijn: we kennen dat beeld ook uit het Oude Testament. Mozes beklimt de berg Horeb om van God de Tien Woorden in ontvangst te nemen. En van de profeet Elia kennen we het verhaal dat hij – levensmoe als hij is op dat moment – diezelfde Horeb beklimt om God te ontmoeten in de gefluister van een zachte bries. Is het dan toevallig dat juist deze twee, Mozes en Elia, Jezus flankeren op het moment dat hij – boven op de berg – voor de ogen van zijn leerlingen stralend voor hen staat? Nee, toeval is het zeker niet. De evangelist Matteüs heeft zijn verhaal zo gecomponeerd, dat de twee belangrijkste mannen uit het Oude Testament Jezus terzijde staan. Mozes en Elia vertegenwoordigen immers de Wet en de Profeten, de twee belangrijkste pijlers van het jodendom. En Jezus, de jood Jesjoea, – zo houdt Matteüs ons voor – is om zo te zeggen de
vervulling, de
voltooiing van Wet en Profeten. Het beeld van de lichtende uitstraling van Jezus moet die voltooiing nog eens benadrukken.