Beschouwing
De tragische gebeurtenissen rond het zoeken en vinden van het lichaam van Anne Faber hebben in de samenleving veel los gemaakt. Door gebeurtenissen als deze wordt nieuwe voeding gegeven aan een maatschappelijke discussie, waarin geen eenduidige antwoorden te geven zijn. De worsteling over de bewegingsruimte van zedendelinquenten legt een pijnpunt bloot in onze samenleving, waarvoor geen simpele oplossing beschikbaar is. Het mag duidelijk zijn, dat wie schade toebrengt aan individuen of groepen binnen onze samenleving, daarvan (zoveel als mogelijk) moet worden weerhouden. Of – in geval van reeds berokkende schade – daarvoor moet worden bestraft volgens de geldende rechtspraak. En wanneer de dader zijn/haar straf heeft uitgezeten, moet er de mogelijkheid zijn om op een of andere wijze terug te keren in de samenleving.
Maakbaar
Laat mij heel duidelijk zijn. Gedwongen seksuele omgang met kinderen of volwassenen, op welke wijze dan ook, keur ik ten stelligste af. En tegelijk constateer ik, dat de maatschappelijke onrust, die ontstaat wanneer bekend wordt dat een veroordeelde (zeden)delinquent vrij komt, een verontrustend signaal is van iets dat veel dieper zit. De vraag is immers, hoe wij als samenleving omgaan met het imperfecte. Het algemene aanvoelen is: het kwaad dat ooit is aangericht, kan, mag en zal niet meer worden getolereerd. De persoon, die dat onheil op zijn geweten heeft, mag op geen enkele wijze de kans krijgen terug te vallen in het kwalijke gedrag. Dat willen we niet meer zien gebeuren. En dus moet de dader zover mogelijk verwijderd worden van waar wij het kwaad zouden kunnen waarnemen. Het is deze maatschappelijke onrust die ertoe leidt, dat we een mogelijke toekomstige recidivist feitelijk de toegang tot onze samenleving ontzeggen.