Overweging met Allerzielen
Op heel verschillende manieren kunnen mensen reageren op het overlijden van hun geliefden. Een man die drieënveertig jaar getrouwd was, heeft de laatste vijftien jaar zijn vrouw heel intensief
verzorgd. Nu valt hij in een plotselinge leegte. Hij zegt: 'Het heeft geen zin meer. Als ik niet meer voor haar kan zorgen, waarvoor leef ik dan nog?' Een heel andere reactie komt van een moeder. Haar zoon, nog geen twintig jaar, verliest zijn leven bij een tragisch ongeval. Hij had een goed hart, maar hij was geen gemakkelijke jongen. Het verliest veroorzaakt evengoed een smartelijke pijn. 'Maar,' zo zegt de moeder, 'misschien heeft Onze Lieve Heer hem wel tegen zichzelf in bescherming genomen. Hij kon zo dwars zijn, dat hij op den duur ook vijanden had gekregen. Daar zou hij diep ongelukkig van zijn geweest. Misschien is het wel beter zo.'
De dood van onze lieve medemensen roept vragen op, waar we meestal geen antwoord op krijgen. En met name de vraag waarom een dierbare van ons weggenomen moest worden, blijft onbeantwoord. 'Mijn vader,' hoor ik wel eens zeggen als ik op rouwbezoek ben, 'had het idee, dat zijn taak nog lang niet klaar was. Of ook: 'Mijn vrouw had zich zo verheugd op een fijne tijd met ons tweeën, maar ze mag het niet meer beleven.' En zelfs wanneer een geliefd mens na een moeilijk sterfbed eindelijk van zijn pijnen is verlost, wanneer dus de naaste familie daar vrede mee kan hebben, dan nog blijft er een schrijnende leegte achter, die niet meer is op te vullen.