Overweging op het hoogfeest van Pasen
Lezingen:
Handelingen 10,34a.37-43;
Johannes 20,1-9
Je
hoort het ongeloof en de verbijstering in de woorden van Maria van Magdala. Lijkrovers, grafschenners van het ergste soort, zijn ervan door gegaan met het lichaam van
haar Heer. De wrede dood van deze onschuldige is op zich al erg genoeg, maar dat
dit er nog bij komt - daar kan ze absoluut geen plaats aan geven.
Pas later, veel later, komt Maria tot het besef, dat hier iets heel anders aan de hand is. Lijkrovers zouden niet de moeite hebben genomen om de doeken, waarin het lichaam gewikkeld was, te verwijderen en achter te laten. Dat de doeken er zijn, en ook de manier waarop ze er nu liggen, is een aanwijzing dat degene die erin gewikkeld was, eruit is gestapt. Geen lijkroof dus, maar opstanding uit de dood. We kunnen er ons geen voorstelling van maken. Opstaan uit de dood, tot nieuw leven komen, dat is een ongehoorde gebeurtenis. Het is iets, dat bijna wel tot ongeloof
moet leiden. Het ongeloof, dat dus doorklonk in de woorden van Maria van Magdala.
De vernedering omgebogen
Maar toch. Uiteindelijk komt Maria, en komen ook de andere leerlingen, tot geloof. Ze leren beseffen, dat de dood
niet het laatste woord zal hebben. Ze gaan geloven, dat de vernedering van de kruisdood omgebogen wordt in de overwinning op de dood. Het einde
is niet het einde. En ook wij mogen het zien gebeuren: in ons eigen leven, in onze persoonlijke ervaring. Nieuw leven, stralend licht, ontluikende natuur en nieuwe kansen.