Overweging op het feest van de Openbaring des Heren
Lezingen: Jesaja 60,1-6; Efeziërs 3,1-2a.5-6; Matteüs 2,1-12
Er zijn verschillende manieren, waarop je een reis kunt maken. Nu is dat in deze tijd van corona niet aan te bevelen, maar het gaat mij om het voorbeeld. Sommige mensen kiezen ervoor om een georganiseerde reis te boeken. De route, de hotels en de bezienswaardigheden staan op voorhand vast. Het zal vast een hele mooie reis worden. Andere mensen zijn misschien wat avontuurlijker. Zij zoeken zelf hun route uit, overnachten in een eenvoudig bed and breakfast en leren de omgeving kennen door niet de geijkte attracties te bezoeken, maar liever het achterland. Beide manieren hebben hun charme. Maar de vraag is, hoe je de aard van het land nu het beste leert kennen.
Soms moet je afwijken van de gebaande paden om te ontdekken, wat nu echt van waarde is. Om teleren zien, waar het nu werkelijk om draait. Neem nu het verhaal van de wijzen uit het oosten, zoals de evangelist Matteüs ons dat vertelt. Wij lezen dit verhaal vaak met de bril, die de geschiedenis ons heeft mee gegeven. En die geschiedenis geeft in de kerststal plaats aan drie koningen. Maar in het verhaal zelf, als je het goed leest, staat geen 'drie' en er staat geen 'koningen.' Er staat: 'wijzen'. Dat kunnen er twee zijn geweest, maar misschien ook acht. Wij hebben er drie van gemaakt, omdat er gesproken wordt over drie geschenken.
Maar deze wijzen zijn dus geen koningen, zij zoeken een koning. In het verhaal van Matteüs worden specifiek twee koningen genoemd: koning Herodes en de koning van de Joden. En die twee koningen staan qua betekenis diametraal tegenover elkaar.