Overweging bij de 16e zondag door het jaar (jaar B)
Lezingen: Jeremia 23,1-6; Marcus 6,30-34
U kent vast wel het grapje (ik denk dat het uit een van de vroege Tarzan-films is) over de aap, die voor het eerst met een spiegel te maken krijgt. Hij niet weet wat zo'n spiegel voor iets is. Voorzichtig gaat hij eens aan de achterkant kijken. Zou daar soms nog een andere aap zijn? Pas gaandeweg komt hij tot de ontdekking, dat hij in de spiegel alleen zichzelf ziet. Een spiegel laat je zien, wie je werkelijk bent. Soms is het wel eens goed om eerlijk naar jezelf te kijken. En dan daar je conclusies uit te trekken.
 |
| Afbeelding: pixabay.com |
In de lezingen van vandaag gebeurt in feite precies hetzelfde. Er wordt ons een spiegel voorgehouden. De vraag wordt ons gesteld of ons gedrag overeenstemt met wat God voor ogen staat met ons, mensen. In de eerste lezing stelt Jeremia de verhouding aan de orde tussen de leiders van Juda en de gewone mensen. Juda is een afsplitsing van het oorspronkelijke Israël, dat wordt ingeklemd tussen de grootmachten Egypte en Babylon. De leiders van het volk moeten zware belasting betalen aan Babylon. Maar zij zelf gaan daar niet onder gebukt. De last wordt helemaal afgewenteld op de gewone mensen. Die komen daardoor flink onder de armoedegrens terecht.
Dat is precies de reden, waarom Jeremia de leiders beschuldigt van onbehoorlijk bestuur. Zij zijn als herders, die de kudde aan zijn lot overlaten. Maar: Jeremia blijft hopen, dat er een herder komen zal, die de schapen zal hoeden zoals het hoort. Een leider, die het land rechtvaardig en eerlijk zal besturen.