Overweging op de 26e zondag door het jaar (jaar B)
Lezingen:
Numeri 11,25-29;
Marcus 9,38-43.45.47v
Als ik zeg, dat mensen het lang niet altijd met elkaar eens zijn, dan lijkt dat verdacht veel op het intrappen van een open deur. Maar goed, nu ik het eenmaal heb gezegd, hoef ik deze uitspraak ook niet te onderbouwen met een rijtje voorbeelden. De kunst is – in dergelijke situaties van meningsverschil – om het gesprek niet af te kappen. Waar dat
wel gebeurt, waar mensen elkaar buiten sluiten omwille van een andere opvatting, daar worden grenzen getrokken die de onderlinge verstandhouding in de weg zitten.
Wel of niet?
In de Schriftlezingen horen we ook over mensen, die van ongepaste duidelijkheid houden: jij hoort bij ons, en jij niet. Uit het boek Numeri hebben we het verhaal beluisterd over een aantal assistenten van Mozes. Zeventig oudsten worden toegerust met inspiratie en enthousiasme, zodat ze kunnen spreken (profeteren heet dat) namens God en Mozes. Naast die zeventig zijn er nog twee anderen, Eldad en Medad, die hun enthousiaste spreken niet kunnen tegenhouden. Ook
zij profeteren. Daar wordt bezwaar tegen gemaakt, omdat de twee niet op de vereiste wijze zouden zijn toegerust. Ja, zegt Jozua,
dat kan natuurlijk niet. Ja, zegt Mozes, dat kan natuurlijk
wel. Waarom zou je mensen, die het goede woord spreken, het zwijgen moeten opleggen? Ook al hebben ze niet de voorgeschreven procedure doorlopen: ze doen wat gedaan moet worden. Ze doen wat goed is. Daar moet je niet moeilijk over doen, daar moet je verheugd over zijn!