Overweging op het hoogfeest van Allerheiligen (A)
Lezingen: Apocalyps 7,2-4.9-14; Matteüs 5,1-12a
In de tijd waarin wij leven gaan veel mensen gebukt onder de stress van torenhoge verwachtingen die ons worden opgelegd. Dat kunnen verwachtingen zijn die je werkgever van je heeft, verwachtingen van het economische succes dat we 'moeten' behalen, van de sociale contacten die we 'moeten' onderhouden. Het kunnen ook verwachtingen zijn, die we onszelf opleggen: dat we moeten voldoen aan wat anderen van ons vinden, dat ik moet voldoen aan de eis beschikbaar te zijn voor familie of vrienden (meer dan ik kan waarmaken). En in deze tijd van de beperkingen die de coronamaatregelen ons opleggen hebben we ook nog eens het gevoel, dat we onze verbondenheid met anderen te weinig kunnen waarmaken. En daarbij hebben we de indruk, dat we als kerkmensen slechts getolereerd worden in de marge van de huidige samenleving.
Allemaal gevoelens van stress en niet ingeloste verwachtingen, die ons een sterke benauwdheid kunnen bezorgen. In dat opzicht verschillen wij niet zoveel van de eerste christenen, al hebben wij in ons land niet te maken met razzia's, martelingen en onterechte gevangenschap. Voor die eerste christenen probeert de briefschrijver in de eerste lezing een bemoedigend woord aan te reiken. Hij schetst een perspectief waarin de huidige verdrukking niet blijvend zal zijn. 'Wie geleefd hebben in de grote verdrukking zullen tenslotte gekleed gaan in witte gewaden.' Anders gezegd: wie de benauwenis kan uithouden en trouw blijft aan de eigen diepste overtuiging, mag weten dat deze trouw beloond zal worden. De beloning bestaat uit de trouw die God zelf aanbiedt aan wie in hem geloven.