Overweging op de 19e zondag door het jaar (jaar A)
Lezingen: 1 Koningen 19,9a.11-13a; Matteüs 14,22-33

Als je hier in Zeeland op de fiets zit, dan heb je eigenlijk altijd wel met de wind te maken. Soms heb je de wind mee, en net zo vaak ook weer tegen. Het kan gebeuren, dat de wind een aangename verkoeling brengt. Maar het gebeurt ook, dat de wind een verwoestende kracht laat zien. Het is een wonderlijk fenomeen, die wind. Ook al kun je hem niet zien, hij heeft altijd wel een bepaald uitwerking op onze wereld – ten goede of ten kwade.
De wind speelt in de lezingen van vandaag een vooraanstaande rol. Laten we eens kijken naar de situatie, waarin de profeet Elia zich bevindt. Hij heeft, voorafgaand aan de passage die we vandaag hoorden, stoere taal gebruikt en vernietigende tekens gesteld om de profeten van de god Baäl af te troeven. Er is immers maar één God, en dat is Jahweh. En toch is er hevige twijfel in Elia. Die ene God, is die nou echt wel zo prominent aanwezig in de wereld van de mensen, dat hij het kan opnemen tegen Baäl, de god van oorlog, van vruchtbaarheid en ontucht? Voor Elia hoeft het allemaal niet meer. Het is toch zinloos, denkt hij.