zondag 20 juli 2014

Als het graan rijp is...

Overweging op de 16e zondag door het jaar (jaar A)

Lezingen: Wijsheid 12,13.16-19Matteüs 13,24-30

Iedere landbouwer doet alle mogelijke inspanningen om de opbrengst van zijn akkers zo optimaal mogelijk te maken. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hoort daar ook bij. En bij het oogsten wordt het graan gescheiden van het stro, zodat beide eindproducten nog een mooie opbrengst krijgen. Dat is de manier waarop mensen, vanuit economisch oogpunt, streven naar het maximaliseren van de winst.


De mannen, die in dienst zijn bij de landbouwer uit het verhaal dat Jezus ons voorhoudt, denken vanuit een vergelijkbaar kader. Onkruid verkleint de opbrengst, dus dat kun je het beste maar bestrijden en verwijderen. Toch moeten we goed kijken naar de vraag, in welk verband Jezus dit verhaal vertelt. Hij begint met: 'Het rijk der hemelen lijkt op...' Hij heeft het dus over een andere orde, over een totaal andere manier van zien dan het gewone menselijke bekijken van de aardse dingen. Het rijk der hemelen vraagt geen economische benaderingswijze, die – kort door de bocht gezegd – alleen uit is op vergroten van de winst. Het rijk der hemelen vraagt eerder een zienswijze, waarin ook ruimte is voor minder productieve factoren. Het is een manier van benaderen, die verder kijkt dan alleen een kosten-batenanalyse.


Tot inkeer

Vanuit deze andere benaderingswijze kunnen we ook beter begrijpen, waarop de eigenaar van de akker ervoor kiest om tarwe en onkruid gelijk te laten opgroeien. Het is een gebeuren, die wij in onze waarneming van de werkelijkheid, goed kunnen herkennen. Goed en kwaad, eigenbelang en onbaatzuchtigheid, egoïsme en altruïsme, recht en onrecht: we komen ze naast elkaar en door elkaar tegen in de wereld waarin wij leven. En ook in onze eigen persoon herkennen we eigenschappen, die zowel het goede als het minder goede vertegenwoordigen. In wat we zeggen en waarover we zwijgen, in onze daden en in wat we nalaten zien we niet enkel het goede, maar ook wat kwaad is.

De eigenaar van de akker beseft dat het uitrukken van het onkruid ook de tarwe kan beschadigen. Maar hij beseft nog iets anders. Want de eigenaar van de akker – we vermoeden uit het verhaal van Jezus, dat hij hiermee God zelf bedoelt – beseft, dat wie kwaad doet altijd nog de mogelijkheid heeft om tot inkeer te komen. Als het onkruid wordt vernietigt, dan bestaat die kans niet meer. Dan is het over en uit. Nee, dat onkruid moet blijven staan. Zoals ook mensen, die kwaad bedrijven alleen tot bezinning kunnen komen als ze in leven blijven.

Tegen beter weten

Dat is ook de insteek, die we beluisterd hebben in de eerste lezing. In deze passage uit het boek Wijsheid wordt God getekend als iemand die mensen bestuurt met goedertierenheid, dus vanuit een houding van ultieme barmhartigheid. Hij heeft – zo staat er – ons geleerd dat de rechtvaardige een vriend van mensen moet zijn. Wie zich dus door Gods richtlijnen laat inspireren, zal het goede voorhebben met de mensen die aan haar of zijn zorgen is toevertrouwd. En daar waar gezondigd wordt, lezen we tot slot, biedt God de kans tot inkeer.

God blijft hopen op een goede afloop, zelfs waar mensen de hoop al hebben opgegeven. De knechten uit het evangelie representeren de mensen, die geen hoop meer hebben op een goed resultaat. Maar God – je zou bijna zeggen: tegen beter weten in – blijft kansen bieden om tot bezinning te komen. En pas als er geoogst moet worden, is het moment daar om een definitieve evaluatie te houden. Dan pas kan beoordeeld worden, of mensen verstokt het kwade hebben nagelopen, of dat ze toch ook ten goede hebben gehandeld. En degene die daarover moet oordelen, dat zijn niet de knechten uit de parabel van Jezus, en ook niet de tarwe of het onkruid zelf. Het is de akkerbouwer, die uiteindelijk de oogst zal keuren.

Als het graan rijp is

En wij mensen, die soms als tarwe en soms als onkruid zijn, wij mogen ons niet ertoe laten verleiden om nu al een oordeel uit te spreken, dat ons wezenlijk niet toekomt. Een eindoordeel, een definitief oordeel over wie onrecht heeft begaan, laat immers geen ruimte meer voor inkeer en verbetering. Eerlijk gezegd schrik ik wel eens van de heftigheid en de absoluutheid, waarmee mensen die uit de gevangenis zijn ontslagen, worden bejegend. Als zulke mensen – hoe dan ook – de toegang tot onze samenleving pertinent wordt ontzegd, dan matigen we ons een oordeel aan, dat in wezen onbarmhartig is. En daarmee wordt ook onze samenleving onbarmhartig. Dan gaat er nog meer onkruid groeien tussen de tarwe dan nu misschien al het geval is. En tegelijk moet je nuchter genoeg zijn om mee te werken aan de voorwaarden, waardoor mensen die in de fout zijn gegaan, niet gemakkelijk opnieuw tot het kwade vervallen.

Maar laat mij heel duidelijk zijn: de oproep tot barmhartigheid is niet hetzelfde als alles maar over je kant te laten gaan. Barmhartigheid betekent, dat je de ander een nieuwe kans gunt: niet uit een innerlijke zwakheid maar in het diepe besef, dat je ook zelf op bepaalde tijden een nieuwe kans nodig hebt. Precies dat besef van eigen onvolkomenheid is geen zwaktebod, maar het getuigt van een grote innerlijke kracht. De optie van barmhartigheid leidt ertoe, dat je je eindoordeel nog maar even opschort. Geoogst wordt er pas, als het graan rijp is.