zondag 22 april 2018

Niet zinloos

Overweging op de 4e zondag van Pasen (jaar B)

Lezingen: Handelingen  4,8-12; Johannes 10,11-18

Over enkele weken zullen wij de doden herdenken, die in of door de Tweede We­reldoorlog om het leven zijn gekomen. Mensen die in het verzet hebben gezeten, vele miljoenen joden, zigeuners en homoseksuelen, soldaten van de geallieerde strijdkrachten: zij allen werden herdacht als slachtoffers. Als je wel eens op een oorlogskerkhof bent geweest, en je realiseert je op welke leeftijd de soldaten zijn gesneuveld, dan besef je dat deze jongens nog een heel leven vóór zich hadden. Maar er kwam abrupt een einde aan. Dat zo velen hun leven gegeven hebben, is - als je alleen naar het naakte feit kijkt - een absurd gegeven. Dat zij hun leven hebben gegeven, kan alleen zinvol worden als je bedenkt wat hun strijd heeft opgeleverd. Alleen als je hun offer bekijkt in het kader van de vrijheid, die wij daardoor gewonnen hebben, kan hun dood - pas achteraf - gezien worden als iets dat niet zinloos is geweest. Je kunt niet zeggen: het is zinvol. Je kunt alleen zeg­gen: het is niet zinloos.


Gave

In het evangelie wordt gezegd, dat Jezus zijn leven geeft voor zijn schapen. Het wordt tot drie keer toe herhaald. In de opvatting van de evangelist is deze gave (offergave, moet je eigenlijk zeggen) iets dat Jezus uit vrije wil op zich heeft genomen. 'Niemand neemt het mij af, maar ik geef het uit mij­zelf.' We moeten ons realiseren, dat deze woorden door Johannes zijn opgeschreven ruim 60 jaar na de executie van Jezus. In die tussentijd is heel langzaam het inzicht ontstaan, dat de dood van Jezus niet zinloos is geweest. Terug­kijkend kan Johannes zeggen, dat het vrijwillige offer van Jezus alleen maar zin­vol kan zijn als het gebaseerd is op liefde, de liefde van Jezus voor zijn schapen.


Maar zeker in het begin waren zijn vrienden nog niet zover. In aanvang is de dood van Jezus - puur het gegeven op zich - een absurd feit. Dat zijn vrienden met dat gegeven niet uit de voeten konden, is goed terug te vinden in de eerste lezing. De Handelingen van de Apostelen zijn opgetekend ongeveer 30 jaar vóórdat Johannes zijn evangelie samenstelde. Dat verschil van 30 jaar maakt ook veel verschil in de toon, waarop dingen gezegd worden. De verbittering van Petrus klinkt door in zijn beschuldiging, dat de leiders van het volk verantwoordelijk zijn voor de kruisiging van Jezus. Maar bij Johannes heeft die verbittering plaats gemaakt voor een positieve invalshoek: Jezus is niet geëxecuteerd omdat de Joodse leiders daar in eerste instantie verantwoordelijk voor waren. Nee, hij heeft zijn leven geofferd omdat liefde hem daartoe aanzette.


Geroepen

Daarom kan Johannes ook het beeld neerzetten van Jezus als de goede her­der. De goede herder is een herder die hart heeft voor zijn schapen. Hart heb­ben voor de mensen die aan jou zijn toevertrouwd: dat kan op verschillende ma­nieren tot uitdrukking komen. Ieder van ons is met zijn eigen capaciteiten en ta­lenten geroepen om hart te hebben voor de mensen die aan haar of hem zijn toevertrouwd. Er zijn mensen, die goed kunnen luisteren en mensen die met hun humor de betrekkelijkheid van het leven laten zien. Er zijn mensen die met een heilig vuur werken aan rechtvaardige verhoudingen, en er zijn er ook die hun liefdevolle zorg geven aan hun gezin. Er zijn mensen die leiding kunnen ge­ven, maar ook mensen die goed zijn in het praktische werk. Er zijn mensen die kunnen zingen of schrijven, en anderen die daar intens van kunnen genieten. Er zijn vele manieren, waarop je het leven voor elkaar de moeite waard kunt ma­ken, waarop je jouw bezieling een kans kunt geven; vele manieren waarop je voor mensen in je omgeving een herder, een goede herder kunt zijn.

Want ieder van ons is geroepen om herder, pastor te zijn voor de mensen die aan haar of hem zijn toevertrouwd. Niet alleen de beroepskrachten in onze kerk, ook niet alleen de vrijwilligers, maar iedere gelovige is geroepen om van zijn eigen bezieling iets door te geven aan anderen. Want waar je elkaar kunt be­zielen en enthousiast maken, daar is ook warmte en levenskracht, daar is groei en gemeenschap mogelijk. Daar ontstaat iets van dat heilige vuur, dat onze we­reld gaande houdt, ondanks verval en ellende, ondanks dood en duisternis. Daar kun je de geestdrift en de inspiratie voelen, die ons op weg houdt om onze uiteindelijke bestemming te vinden: persoonlijk en gezamenlijk.


Niet gangbaar

Soms gebeurt dat op onverwachte momenten, dat je de inspiratie krijgt om door te gaan. Om je niet neer te leggen bij wat gangbaar is. Zo'n 15 jaar geleden kon je op TV de ouders aan het woord horen van René Steegmans. Hij was de 22-jarige student die in Venlo werd doodgetrapt, toen hij twee jongens aansprak op onverantwoordelijk gedrag tegenover een oudere, gehandicapte vrouw. De ouders zeiden: 'Wij kunnen, wij willen geen haat hebben tegenover de daders.' Zo’n uitspraak maakt grote indruk. Want het betekent, dat deze mensen, ondanks de onzinnige dood van hun zoon, anderen een nieuwe kans geven, maar ook zichzelf een nieuwe kans geven. Want wie zijn haat koestert, die maakt het leven onmogelijk voor zichzelf en voor anderen. Die maakt ook de dood van zijn zoon - achteraf - tot een zinloos en absurd gebeuren. Door niet te haten wordt de dood van René Steegmans tot een gebeuren, dat niet zinloos is ge­weest. Want hij gaf zijn leven, omdat hij hart had - niet alleen voor de oudere vrouw, maar in wezen ook voor de jongens die haar bedreigden.