zondag 16 november 2014

Eeuwig leven als kwalitatieve categorie

Filmrecensie van: The Tree of Life (2011)
Regie: Terrence Malick

In vele culturen en religies staat de levensboom voor wijsheid, kracht of leven als de godheid. In het eerste bijbelboek (Gen. 2,9) staat hij - als symbool voor het eeuwige leven - naast de boom van kennis van goed en kwaad. De vruchten van beide bomen zijn voor de mensen verboden, maar zij verkiezen het gebod, minstens ten dele, te negeren. Kennis van goed en kwaad krijgen mensen middels de vrucht van de ene boom, maar toegang tot het eeuwige leven wordt hen in de bijbelse scheppingsmythe ontzegd.

Het is in essentie onvermijdelijk, dat Terrence Malick in zijn bijzondere film het taboe op het eeuwige leven respecteert. Maar wel wil hij de verschillende wijzen onderzoeken van hoe mensen omgaan met goed en kwaad. Om daarmee misschien toch een doorkijkje te creëren op het eeuwige leven.

Natuur en genade

In de versie van de regisseur verschijnt de controverse tussen goed en kwaad in de keuze tussen natuur en genade. Dat dilemma is de dragende gedachte in deze onconventionele film. Daarmee is echter geen recht gedaan aan het beeldverhaal, dat vele lagen kent. In vaak poëtische beelden worden ook de verhoudingen verkend tussen micro- en macrokosmos, tussen mannelijk en vrouwelijk, tussen de oudere en de jonge generatie, tussen generatiegenoten (broers, vrienden), tussen het verlangen goed te leven en het kwaad dat ons overkomt. Meer nog dan de woorden (vaak fluisterend uitgesproken, als een innerlijke stem of een gebed) zijn het de impressionistische beelden, de gezichtsuitdrukking van de spelers, de filmische associaties die maken, dat je opnieuw en opnieuw het verhaal aan je ogen voorbij wilt laten gaan.


Een duidelijke verhaallijn is er misschien niet. Er wordt een sfeerbeeld getekend van de familie O'Brien in het stadje Waco (Texas) in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Centraal staat de moeizame verhouding tussen oudste zoon Jack (als jongen zeer overtuigend gespeeld door Hunter McCracken, als volwassene even geloofwaardig door Sean Penn) en zijn vader (Brad Pitt). Als oud-oficier van de marine houdt hij thuis een ijzeren discipline in stand. Hij duldt geen enkele tegenspraak, ook niet als de zoons hem wijzen op de inconsequente momenten in zijn gedrag. Het meest kenmerkend laat de vader zich zien als hij zegt: 'Je moeder is naïef. Je hebt wilskracht nodig om vooruit te komen. Wie te aardig is wordt uitgebuit.' En hij leert zijn zoons zich te verdedigen in een man-tot-man-gevecht. Maar zowel de vader als de zoons raken daarin gefrustreerd, tot wederzijds ongenoegen.

Geen garantie

Misschien zit in deze frustratie wel een vingerwijzing, dat de weg van de natuur geen garantie geeft op een succesvol leven. Het ontslag van zijn werk brengt O'Brien tot het inzicht dat zijn strategie gefaald heeft. De weg van de genade biedt echter evenmin een waarborg voor een voorspoedig leven. De dood op 19-jarige leeftijd van R.L., de middelste zoon, vrijwaart immers niemand uit het gezin van verdriet. Maar anders dan de krachtdadige vader is de milde moeder aan het einde van de film in staat om te fluisteren: 'Ik geef hem u. Ik geef u mijn zoon.' En we zien haar handen als in een gebed.

De moeder wordt heel indrukwekkend geacteerd door Jessica Chastain, vooral door haar lichaamstaal en haar mimiek. Ze spreekt slechts een enkele keer in het verhaal. Meestal horen we haar fluisteren, een stijlfiguur die de regisseur geregeld gebruikt om aan te duiden dat het om een innerlijke overweging of – vaker nog – om een bede gaat. Het is de moeder die bij aanvang van de film het verschil laat horen tussen de weg van de genade en de weg van de natuur: 'De genade wil zichzelf niet behagen. Ze accepteert dat ze wordt geminacht, vergeten, misprezen. Accepteert beschimpingen en beschuldigingen. De natuur wil alleen zichzelf behagen. En dat anderen haar behagen. Speelt graag de baas. Wil haar eigen zin. Ze vindt redenen om ongelukkig te zijn als de hele wereld straalt en liefde lacht in alle dingen. We leerden dat niemand die de weg van de genade volgt ooit door ongeluk getroffen wordt.'

Leven uit genade

Maar deze woorden worden gelogenstraft door het citaat uit Job (38, 4.7), waarmee de film opent: 'Waar was u toen ik de aarde grondvestte? Toen de morgensterren tezamen juichten en alle zonen van God jubelden?' De woorden worden fantastisch verbeeld in een lange, vijftien minuten durende sequentie van prachtige opnamen die de schepping, de evolutie oproepen. Het zijn beelden, waar veel zorg aan is besteed en die telkens opnieuw een lust voor het oog en voor de fantasie zijn. De beelden staan echter in schril contrast met het verdriet van moeder O'Brien wanneer zij zich in haar immense verdriet richt tot God: 'Ben ik u ontrouw geweest? Heer... Waarom? Waar was u? Wist u ervan? Wat zijn we voor u? Geef antwoord.' Tijdens deze indringende, hopeloze smeekbede horen we het prachtige gedragen Lacrimosa 2 (deel uit het Dies Irae), gecomponeerd door Zbigniew Preisner.

De woorden van Job, de muziek en de magistrale beelden geven aan, dat de mens niet bij machte is te doorgronden waar het kwaad of het redeloze verdriet in onze wereld vandaan komen. Ook moeder O'Brien ontkomt niet aan dit machteloos makende, wurgende leed. Maar anders dan haar man blijkt zij in staat om te leven uit genade. Daarmee wordt haar verdriet niet lichter, integendeel. Ze kan zich echter wel – na veel innerlijke strijd, zo stel ik mij voor – overgeven aan wat niet te veranderen is. Ze vindt vrede in de gedachte, dat ze haar gestorven zoon mag overlaten aan Gods genade.

Overgave

De worsteling om te kiezen tussen de weg van de natuur en de weg van de genade komt het meest pregnant tot uitbeelding in het karakter van Jack. Hij observeert zichzelf in de woorden: 'Vader, moeder, jullie knokken altijd binnenin me. Dat zal altijd zo zijn.' En ook al zegt Jack tegen zijn vader: 'Ik lijk meer op u dan op haar (moeder),' toch gaat hij als volwassene tenslotte letterlijk op zijn knieën, als in de gebedshouding die hij misschien wel meer van zijn moeder dan van zijn vader heeft geleerd. Het is een moment van overgave, waarin hij accepteert wat niet te veranderen is – niet alleen de dood van zijn broer, maar ook de rigide opvoeding door zijn vader. Het is zelfs meer dan acceptatie: het is een onuitgesproken vergiffenis die hij zijn vader (en ook zichzelf?) schenkt. De vergeving wordt muzikaal ondersteund door het ingetogen Agnus Dei uit Berlioz' Grande Messe des Morts. Door deze vergeving is Jack wellicht in staat is om zichzelf niet langer en steeds opnieuw te verliezen in zijn worsteling om wie hij werkelijk is.

De volwassen Jack is door heel de film gesitueerd in kille kantoorgebouwen en tussen imponerende wolkenkrabbers, steeds op zoek naar zichzelf en zijn plaats in de wereld. Het lijkt wel alsof hij – na het moment van overgave – voor het eerst voorzichtig kan glimlachen. De film eindigt met het beeld van een brug over een groot water. Jack kan verder.

Eeuwig leven als kwaliteit

Overgave zou dan begrepen kunnen worden als een wijze van overleven. Of misschien eerder: als een wijze van voort leven. Zou je aldus de overgave mogen zien als een 'voorlopige' vorm of als een vermoeden van eeuwig leven? Eeuwig leven in de zin van: leven dat blijkt stand te houden, te midden van en dwars doorheen alle kwaad, verdriet en absurde chaos? Eeuwig leven, niet verstaan als een kwantitatieve term die iets van de tijd uitdrukt, maar als een kwalitatieve categorie die het goede, duurzame leven aanduidt? En dat wordt gesymboliseerd in de levensboom?