zondag 18 december 2016

Gedroomde toekomst

Overweging bij de 4e zondag van de Advent (jaar A)

Lezingen: Jesaja 7,10-14; Matteüs 1,18-24

Als je 's morgens wakker wordt en er hangen nog enkele flarden van een droom in je hoofd, dan vraag je je soms af wat voor onmogelijks er allemaal is gebeurd in je slaap. Er zijn situaties en mensen die je herkent uit je dagelijkse ervaringen, maar er zijn ook zaken die werkelijk absurd overkomen. In je dromen gebeuren de meest onmogelijke dingen, en toch zijn ze een reëel onderdeel van onze levenservaring.

Beeld van Sint Jozef in een nis
in Stadtkyll (Duitse Eifel)

Dromen helpen

Dromen – en misschien wel vooral onze dagdromen – kunnen ons helpen onze weg te vinden in onze verwarrende en soms beangstigende werkelijkheid. Juist omdat de realiteit ons angst inboezemt, vanwege ernstige ziekte, vanwege leeg gebral in de politiek, vanwege dreigende werkloosheid, vanwege verstoorde verhoudingen – juist daarom blijven we dromen. We dromen van betere tijden, van herstelde relaties, van genezing en van wederzijds respect. Dromen helpen ons de weg naar de toekomst te vinden. Omdat ze het schijnbaar onmogelijke als hoopvolle mogelijkheid blijven open houden.

Zoiets zien we ook gebeuren in de lezingen van deze vierde Adventszondag. In de eerste lezing wordt verteld over koning Achaz, die regeert over Juda, het zuidelijke deel van wat we nu Israël noemen. Het is een klein landje, ingeklemd tussen de grootmachten Assyrië en Egypte. Achaz denkt op zeker te spelen, door politieke steun te zoeken bij de heerser van Assyrië. Maar in ruil daarvoor moet Achaz wel meegaan in de godsdienstige overtuigingen van Assyrië. Het is de profeet Jesaja, die Achaz waarschuwt voor deze dwaalweg. De enige op wie je in religieus opzicht moet vertrouwen is JHWH. Vraag de Heer maar om een teken, zegt Jesaja, zodat duidelijk is op wie je vertrouwen moet. Maar zoveel vertrouwen kan Achaz niet opbrengen; hij denkt het wel zonder de steun van JHWH te kunnen. En dan kondigt Jesaja aan, dat er ook ongevraagd een teken zal zijn: de geboorte van een kind dat de naam Immanuël zal krijgen. God met ons, betekent die naam.


Uitweg

En met dit wonderlijke verhaal wordt gezegd, dat God zich met mensen blijft bemoeien, ook als ze daar zelf geen heil in zien. Niet uit bemoeizucht doet God dat, alsof mensen zelf niets meer in te brengen hebben, maar omdat hij – soms beter dan mensen zelf – weet welke richting hun leven moet nemen. Waar mensen verzanden of de richting zijn kwijt geraakt op uitzichtloze wegen, daar verzint God een uitweg, die wij zelf niet voor mogelijk hadden gehouden. Een kind, dat de naam Immanuël zal krijgen. God droomt ons een toekomst, die wij zelf niet hadden kunnen verzinnen.

In het evangelie horen we hoe Jozef behoorlijk in zijn maag zit met de zwangerschap van zijn aanstaande. Ze wonen nog niet onder één dak, hebben nog geen gemeenschap gehad met elkaar. Dan kan de zwangerschap – zo moet de conclusie wel zijn – alleen het gevolg zijn van zoiets als een buitenechtelijke relatie. Dat ze zwanger is, betekent dat zij hem heeft afgewezen. Hij zou haar wellicht kunnen aanklagen, maar hij kiest ervoor om zonder dat iemand het merkt, hun band los te maken. Voor het meisje is zo'n 'bevrijding' echter een even grote ramp als een aanklacht. Hoeveel kans heeft ze nog op een goed leven voor haar en haar kind als de man met wie ze verloofd is, hun band heeft losgemaakt terwijl zij zwanger is? 'Toen hij dit overwoog', staat er dan. Het is niet alleen een plan waar Jozef mee rondloopt, maar ook en vooral een zorg.

Vergezicht

En dan is er een onverwachte wending. Want aan dit onmogelijke dilemma wordt een nieuw perspectief toegevoegd in de droom. Dromen brengen inzichten die leiden tot vergezichten. Dan ontdek je welke weg je moet gaan. Dromen zijn wegwijzers naar de toekomst. De engel neemt de angst en de zorg van Jozef weg. Hij wijst erop dat hier andere krachten in het spel zijn dan alleen de menselijke overwegingen. Hier is de kracht van de heilige Geest in het spel. Hier wordt een perspectief aangereikt, dat mensen niet hadden kunnen verzinnen. Waar mensen in hun beperkte zienswijze geen uitwegen meer zien, daar droomt God ons een nieuwe, onverwachte toekomst.

Jozef vertrouwt op deze droom. Hij volgt zijn hart, ook al is hij niet zeker over de afloop van deze geschiedenis. Toen Jozef uit zijn slaap wakker werd, deed hij zoals de engel van de Heer hem had gezegd.

Toekomst ontvangen

God droomt ons een nieuwe toekomst. Een nieuwe, een andere toekomst. Niet een toekomst die wij zelf in handen hebben, of denken te hebben. Niet een toekomst waar wij onze hele verantwoordelijkheid voor moeten dragen, of waarvoor wij al ons vernuft en onze inzet voor moeten geven. Dat is een toekomst waar wij naar toe leven. Maar een toekomst die naar ons komt. Een toekomst die wij ontvangen. Een toekomst die ons toevalt. Een toekomst die van God uitgaat.

En zo gebeurt het in ons leven. Wij maken ons zorgen en er wordt ons een onverwachte uitweg geboden. Wij zijn angstig en God, die onze angsten kent, laat ons daarnaast ook de hoop vasthouden. Wij zien veel onrecht in onze wereld en er wordt gewezen ons op de kleine, hoopvolle daden van gerechtigheid. God kan het niet laten ons een toekomst te dromen, te blijven dromen. Dat perspectief houden wij vast in deze Advent, terwijl we uitzien naar de geboorte van God-met-ons. Dat perspectief mogen wij meenemen in onze dagelijkse levensomstandigheden. Deze droom, die werkelijkheid wordt in de geboorte van het kind in de kribbe, droomt God ons. Zo wil hij ons helpen om het schijnbaar onmogelijke als een hoopvolle mogelijkheid vast te houden.