zondag 24 januari 2016

Dragen en gedragen worden

Beschouwing

Het baart veel mensen - in ieder geval veel mensen die zich verbonden voelen met kerk en geloof - behoorlijk zorgen, dat de toekomst van het kerkelijke leven er niet rooskleurig uitziet. Niet zelden staat hen daarbij het beeld voor ogen van het parochiële leven zoals het was. En als ik zelf met die bril kijk naar de huidige ontwikkelingen, dan stemt mij dit net zo triest als veel anderen dat tegenwoordig ervaren.

Tegelijk is het hartverwarmend om te zien hoe veel gelovigen zich inzetten om geloof en kerk een plaats te geven in hun leven, in hun dorp of stad, in hun optrekken met mensen die hun pad kruisen, in hun aandacht voor medemensen die een appel doen op solidaire en barmhartige humaniteit. Ook uit bestuurlijk oogpunt wordt er veel werk verzet om de kerk in de toekomst ruimte te geven. Daarbij wordt - naast andere opties - veelal ingezet op het versterken van 'vitaliteit en zelfdragendheid'. Er worden zelfs metingen gehouden om na te gaan, of bepaalde geloofsgemeenschappen voldoen aan de criteria van vitaliteit en zelfdragendheid. Het gaat dan om het beoordelen van punten als: zijn de financiële middelen toereikend, zijn er voldoende vrijwilligers om het kerkelijke werk gaande te houden, zijn er aanwijsbare initiatieven en activiteiten op het gebied van liturgie, catechese en diaconie?


Menselijke maat

Het meten van deze zelfdragendheid kan een behulpzame methode zijn om de vitaliteit van een geloofsgemeenschap in beeld te brengen. Tegelijk is het van belang om je te realiseren, dat hier gemeten wordt met de menselijke maat. Dat wil zeggen: de criteria die door mensen (wie anders?) zijn opgesteld, bepalen of er al dan niet toekomst is voor een geloofsgemeenschap.

Ik vraag mij in alle ernst af, of dit beoordelingsinstrument afdoende kan bepalen in hoeverre er toekomst is voor de kerk. Zeker: de criteria van financiën, vrijwilligers en activiteiten spelen onmiskenbaar een rol in dit verhaal. Maar daarmee is onvoldoende inzichtelijk gemaakt, in hoeverre de geloofsgemeenschap gedragen wordt. Gedragen, niet alleen door de leden van die gemeenschap, maar gedragen ook - en misschien allereerst - door God. Precies het besef, dat wij als gelovigen ons kunnen en mogen toevertrouwen aan de God van alle leven, wordt in mijn optiek te weinig verdisconteerd in het streven naar zelfdragendheid en vitaliteit.

Wat komen gaat

Gods zorgzame liefde maakt, dat wij niet al te veel bezorgd moeten zijn over de dag van morgen, zo houdt Jezus ons voor (Matteüs 6,34). Het werken aan vitaliteit en zelfdragendheid is - goed beschouwd - eigenlijk gericht op zelfbehoud van de geloofsgemeenschap. Dat wil zeggen: er wordt zoveel mogelijk gewerkt aan het voortzetten van wat is geweest. Maar in de genoemde passage uit het evangelie van Matteüs wijst Jezus erop, dat de belangrijkste focus moet zijn te zoeken 'naar Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid' (Matteüs 6,33). De blik durven wijzigen van het verleden naar de toekomst vraagt dat we als gelovigen afzonderlijk, maar ook als geloofsgemeenschap in haar geheel, zoeken naar tekens van Gods barmhartig aanwezig zijn in onze wereld. Het betekent, dat we meer aandacht geven aan het tot hun recht brengen van mensen - vooral van mensen in de kreukels - dan aan het in stand houden van wat is geweest.

Natuurlijk mogen we verdriet hebben om het verlies van wat ons vertrouwd was. Maar het kan niet de bedoeling zijn om daarin te blijven hangen of nostalgisch te worden. Juist de essentie van ons geloof richt ons op wat komen gaat. Het lege graf is niet de plek, waar je moet blijven staan om te rouwen, maar de aankondiging van een nieuw begin. En dat nieuwe begin kan gevoed worden door het besef, dat mensen - ook al zijn ze in staat om hun eigen broek op te houden - toch vooral mogen leven in het vertrouwen gedragen te worden door Gods liefdevolle zorg.