zondag 12 oktober 2014

Het feest móet doorgaan

Overweging bij de 28e zondag door het jaar (jaar A)

Lezingen: Jesaja 25,6-10a; Matteüs 22,1-14

Er zijn omstandigheden, waarin je geen enkele aanleiding kunt vinden om een feestje te bouwen. Bijvoorbeeld als iemand ernstig ziek is met nauwelijks uitzicht op herstel. Of als mensen te maken krijgen met de gevolgen van gestapelde bezuinigingen, waardoor ze nauwelijks kunnen rondkomen. Of als  oorlogsgeweld – zoals in Syrië – je verdrijft uit je land met niks om mee te nemen behalve de kleren die je aan hebt. Of ook wanneer je als politieke vluchteling maar niet kunt uitleggen aan de vreemdelingendienst, dat je leven niet meer zeker is, dan heb je weinig reden om een feestje te vieren.

De ban verbroken

De woorden van Jesaja, die we gehoord hebben in de eerste lezing, waren bestemd voor mensen die ook weinig reden hadden om een feestje te bouwen. Rond 540 voor Christus zijn de meeste Joden terug gekeerd uit de ballingschap in Babylonië. Gelukkig weer terug op hun eigen grond, maar het land is totaal verwoest. Wat ze nu aantreffen is chaos en vernietiging. Alles moet van de grond af aan weer opgebouwd worden. In die omstandigheden klinken de woorden van Jesaja: toch zal er feest zijn, een uitgelezen maaltijd met heerlijke gerechten en mooie wijnen. De ban van chaos en vernietiging zal verbroken worden en er zullen genoeg redenen zijn om werkelijk te feesten. Want de vernedering van de deportatie wordt vergeten, de huizen worden weer opgebouwd. De mensen zullen in vrede en voorspoed hun land kunnen bewonen, en God zal laten zien aan wiens kant Hij staat. En ook al zie je op dit moment geen enkele aanleiding om te feesten – aldus Jesaja – begin maar alvast met je daarop voor te bereiden. Want er moet gefeest worden, ondanks alles.

Natuurlijk: het is een visioen, een droom, die Jesaja voorhoudt aan de Israëlieten. Een visioen, dat niet in één keer, maar stap voor stap waar gemaakt moet worden. Maar dit toekomstbeeld mag je voor ogen houden – om jezelf moed in te spreken en als richtingwijzer voor wat je moet doen.

Het lijkt op...

Diezelfde ondertoon – er moet gefeest worden, ondanks alles – klinkt ook door in het verhaal uit het evangelie. Keer op keer stuurt de koning zijn dienaren erop uit om de gasten te laten weten, dat het feest kan beginnen. Maar alle gasten hebben belangrijker zaken aan hun hoofd, vinden ze. Zelfs als zijn dienaren worden mishandeld en vermoord, dan nog vindt de koning, dat het feest moet doorgaan. Je kunt je afvragen, over welke bruiloft het hier eigenlijk gaat, want goed beschouwd is het nogal een bloedige bruiloft: zowel de dienaren van de koning als de onwillige gasten worden vermoord.

Jezus is zijn verhaal begonnen met: 'Het rijk der hemelen lijkt op …' Dat rijk, ook wel aangeduid als het rijk van God, is geen geografisch aan te wijzen gebied. Het is eerder een toestand, een manier van in het leven staan. Het is de mogelijkheid om te leven in vrede met de ander, met jezelf en met God. Dat is het rijk waar Jezus van droomde, waar hij alles voor over had, waar hij voor stond. Iedereen is uitgenodigd om mee te werken aan die droom. En daarbij richtte Jezus zich natuurlijk in eerste instantie tot het joodse volk. De joodse religieuze leiders van die dagen hadden echter geen boodschap aan de droom van Jezus; zij zijn op de uitnodiging niet ingegaan. En als de joden de uitnodiging van Jezus niet accepteren, dan wordt de droom van Jezus, het Rijk van God, ter beschikking gesteld aan ieder die maar wil meedoen. Het bruiloftsfeest wordt toegankelijk voor iedereen. Ook de heidenen, de niet-gelovigen zijn uitgenodigd. Want het feest van God moet doorgaan, ook als de genodigden er geen belang aan hechten.

Maar als je de uitnodiging wel aanneemt, dan is het geen vrijblijvende zaak meer. Je kunt niet de feestzaal binnenlopen, en je van het verdere verloop van het feest niets aantrekken. Je moet wel zorgen, dat je de goede instelling hebt, in het verhaal gesymboliseerd met de juiste kleding. Gepaste kleding wil zeggen, dat je van goede wil bent om een bijdrage te leveren aan het slagen van het feest. Het betekent dat je bereid bent om werk te maken van barmhartigheid en gerechtigheid.

Het feest moet doorgaan

Het feest van God met de mensen moet doorgaan, ook al hebben we vaak geen reden om werkelijk te feesten. Nog scherper gesteld: het feest van God met de mensen moet doorgaan, juist omdat we geen reden hebben om te feesten. Juist omdat wij in ons leven pijn, teleurstelling, geweld, verdrukking en dood ervaren, – juist daarom wil God ons laten zien dat het feest van het leven doorgaat, ondanks alles. Pijn, achterdocht, onrecht en dood zullen niet het laatste woord hebben. Maar het laatste woord is aan de droom van een leven dat werkelijk de moeite waard is. Natuurlijk, ook die droom zullen wij niet in één keer kunnen realiseren, het gaat slechts als wij stap voor stap proberen er iets van waar te maken. En natuurlijk is er het besef, dat de voltooiing van die droom niet ligt in onze handen, maar in Gods hand. Maar laat je die droom in Gods Naam niet afnemen, want dan pas heb je werkelijk geen enkele reden meer om te feesten.

Als wij Gods uitnodiging aannemen, als wij serieus werk maken van barmhartigheid en gerechtigheid, dan zal het tenslotte zeker een geslaagd feest worden. Dan zal het worden, zoals Jesaja onder woorden bracht in de eerste lezing. God zal de sluier verscheuren, die ligt over alle volkeren, het floers dat alle naties bedekt. Op die dag zal men zeggen: 'Dat is onze God, op wie wij hoopten. Laat ons jubelen en ons verheugen om de redding die Hij ons gebracht heeft.'