zondag 6 mei 2018

Over grenzen heen

Overweging bij de 6e zondag van Pasen (jaar B)

Lezingen: Handelingen 10,25-26.34-35.44-48; Johannes 15,9-17

In het Vlaams hebben ze er zo'n mooie uitdrukking voor: Ik zie u gère. Het wil zeggen: mijn hart bloeit op als jij in mijn nabijheid bent. Het betekent niets meer of minder dan: ik hou van je. Als twee mensen dat tegen elkaar zeggen, dan is er een wederzijds verlangen om het elkaar naar de zin te maken, een verlangen ook om het beste in de ander naar boven te halen. Een verlangen om elkaar te ondersteunen in  dagen van voor- en van tegenspoed.

Weerbarstig
Afbeelding: pixabay.com

Dat klinkt natuurlijk erg mooi, maar de praktijk is soms weerbarstiger dan de woorden – als die woorden enkel blijven steken in theoretische idealen. Want je komt de ander ook tegen in situaties dat je elkaar irriteert of niet kunt verstaan. Het kan ook voorkomen, dat de ander ideeën of gedragingen heeft, die jou minder aantrekkelijk lijken. Het kan zelfs zijn, dat je over je eigen grenzen heen moet stappen om bij die ander te kunnen blijven. Dus dat je verzoening of vergeving moet aanbieden om de onderlinge band te behouden. Over grenzen heen stappen om ervoor te zorgen dat de relatie niet blijvend verstoord raakt.



Liefde in de praktijk betekent vaak ook: voor lief nemen. Je accepteert dat de ander anders is: anders doet, anders denkt, anders voelt. 'Voor lief nemen' kan een negatieve bijklank hebben, zo van: nou ja, het hoort nu eenmaal bij jou, maar eigenlijk … Toch zit er iets moois in die uitdrukking: voor lief nemen. Want juist omdat de ander anders is, vult zij of hij ook aan wat jijzelf ontbeert. De ander kan jou wellicht een gedachte, een suggestie, een zienswijze aanreiken, die jou nu precies verder helpt.

Geven en nemen

Overigens geldt dit niet alleen voor de liefde tussen twee personen die elkaars partners zijn. Het gaat ook op voor de liefde tussen ouders en kinderen, tussen kinderen en ouders. Het gaat ook op voor de liefde die we vriendschap noemen, of voor de verbondenheid die er is tussen leden van eenzelfde club, tussen collega's, buren, broers en zussen, medeparochianen. In al deze relaties zullen er momenten zijn van geven en nemen, van elkaar ergens op aanspreken en elkaar de ruimte gunnen, van toenadering en wederzijdse verkilling.

En overal waar op deze manier iets zichtbaar wordt van de liefde die mensen onderling waar maken, daar wordt ook iets zichtbaar van de liefde van God voor ons. Immers: 'Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God,' zo hoorden we in de tweede lezing (1 Johannes 4,7-10). Waar liefde gestalte krijgt, daar wordt ook iets zichtbaar van God zelf. En dat kan tot hele mooie, zelfs verwonderlijke dingen leiden. We zagen dat in de lezing uit de Handelingen. Cornelius, een Romeinse officier, heeft zich bekeerd tot het christelijke geloof. Dat is voor de mensen, die vanuit een joodse achtergrond christen zijn geworden, een ongehoorde ommekeer. Het wekt zelfs wantrouwen bij hen op. Iemand die hoorde bij de vervolgers, ook al is hij bekeerd, moet je niet te gemakkelijk vertrouwen. Maar het is Petrus, die tenslotte het inzicht vertegenwoordigt, dat de liefde van God geen grenzen kent. Ook wie oorspronkelijk een vijand was, kan zich toewijden aan Gods liefdevolle ontferming. Dat ook de heidenen, zoals we hebben gelezen, de gave van de heilige Geest ontvingen is een teken dat Gods liefde bestemd is voor iedereen.

Vrienden

Die oproep tot onderlinge liefde, liefde die over grenzen heen wil gaan, ligt ook opgesloten in de woorden die Jezus spreekt in het evangelie. De liefde tussen Jezus en zijn Vader is een beeld van de liefde tussen Jezus en zijn volgelingen. Hij noemt zijn volgelingen niet langer dienaars, maar vrienden. Je zou kunnen zeggen, dat Jezus daarmee ook een zekere grens doorbreekt. Want hij, de leraar, ziet zijn leerlingen als veel meer dan alleen dat: ze worden beschouwd als vrienden, met wie je op gelijkwaardige basis omgaat.

Zo is liefde dus een uitdrukking van verbondenheid tussen mensen, die bereid zijn om over grenzen heen te gaan. Petrus deed het, Jezus doet het, en ook wij kunnen het doen. Als de liefde van God grenzeloos is, dat kan ook onze liefde grenzen overstijgen en afbreken. De vreemdeling in ons midden, de mens die zich niet altijd sociaal gedraagt, de mopperige buurman, het astrante kind, de tante die altijd neigt naar depressiviteit, de collega die je af en toe een echte zeur vind, maar ook je partner die wat minder aangename eigenschappen heeft, je kind dat gloeiend eigenwijs kan zijn: zij allen dagen ons uit tot liefde, die ons over grenzen heen doet stappen. Liefde, die zich probeert te meten aan deze woorden van Jezus: 'Geen grote liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zichzelf geeft voor zijn vrienden.'

Over grenzen heen

Hoe kunnen wij de kring verbreden, en mensen in ons midden opnemen, die buiten gesloten worden? Hoe kunnen wij mensen een plaats geven, die dreigen uit de boot te vallen of de kans lopen eruit geschopt te worden?

Het antwoord van Petrus laat aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Nu besef ik pas goed, dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat.' Alleen als dat de leidraad wordt voor ons doen en laten, voor ons spreken en zwijgen, dan pas mogen wij weten dat we gekend zijn in de grenzeloze liefde van God zelf.