zondag 22 oktober 2017

Belasting of barmhartigheid?

Overweging bij de 29e zondag door het jaar (jaar A)

Lezingen: 1 Tessalonisenzen 1,1-5b; Matteüs 22,15-21

Veel zaken in ons leven regelen we naar eigen goeddunken. Het inrichten van ons huis, de keuze van school, werk en partner zijn dan nog betrekkelijk eenvoudige opties. Soms gaat het om een zeer essentiële keuze, bijvoorbeeld rond abortus of euthanasie. We beschouwen onszelf als de meest geëigende persoon om in allerlei kwesties onze eigen voorkeuren uit te spreken. Je moet je eigen leven leiden en daarbij ook je eigen koers bepalen. In onze tijd is het vrij normaal, dat we over ons eigen leven beschikken. Het leven is toch van ons, nietwaar?

Baas of eigenaar?

Toch is het nog maar de vraag, in hoeverre we baas zijn over ons eigen leven. Baas zijn over je leven is nog iets anders dan eigenaar zijn van je leven. Je bent immers je eigen leven niet zelf begonnen. Je hebt het gekregen. En dan moet je er vervolgens wel zelf iets van gaan maken. Maar ook dat doe je nooit geheel op je eigen houtje. Daar heb je – linksom of rechtsom – anderen bij nodig. In zijn geheel genomen kunnen wij, mensen, dus niet volledig en autonoom beschikken over ons eigen leven. Je kunt je daarom afvragen: behoort het leven ons toe? Of is het juist omgekeerd: behoren wij toe aan het leven? Aan een groter geheel? Aan God misschien? Heel scherp gesteld is de vraag: aan wie ben je toegewijd?


Met die vraag komen de farizeeën en de Herodianen naar Jezus toe. Het is een vreemde coalitie tussen die twee. De farizeeën staan voor handhaving van de strikte religieuze regels, de Herodianen zijn aanhangers van de wereldlijke machthebbers. Kort voor het dispuut van vandaag heeft Jezus het tempelplein schoongeveegd en daarmee de openbare orde danig verstoord.  Herodianen en farizeeën zoeken een mogelijkheid om Jezus klem te zetten. Een strik-vraag moet hem de das omdoen. Want kiest Jezus voor belasting betalen aan de keizer, dan zou hij door de farizeeën als collaborateur weggezet kunnen worden. Maar weigert hij die belasting, dan kan hij als verzetsstrijder worden geëtiketteerd, en dan is hij een prooi voor de Herodianen.

Andere dimensie

Jezus gaat niet mee in dit onzinnige spelletje. Hij speelt de vraag terug. Hij vraagt om een belastingmunt, Romeins geld dus. Deze munteenheid was op het tempelplein, waar de scene zich afspeelt, niet toegestaan. Maar farizeeën en Herodianen moeten toegeven, dat de munt des keizers is. Jezus heeft daar kennelijk geen moeite mee. Wie heerst over de wereld moet ook wereldse middelen hebben om die heerschappij uit te oefenen. Maar, zegt Jezus, er is nog een andere dimensie in het leven van mensen. Een dimensie, waar zijn gesprekspartners totaal geen oog voor hebben. Want behalve belasting betalen moet je ook oog hebben voor wat God toekomt. De vraag die Jezus dus terug speelt is: aan wie ben je uiteindelijk toegewijd?

Het is vandaag Wereldmissiedag. Daarmee wordt onze aandacht gericht op de vele werkers, die overal te wereld de boodschap van het evangelie verkondigen in woord en vooral in daad. Dat gebeurt in de landen waar armoede en onrecht schreeuwen om verbetering van de leefomstandigheden waarin mensen moeten leven. Maar het gebeurt ook in onze eigen omgeving. We staan stil bij al die mannen en vrouwen die overal ter wereld het evangelie verkondigen. En zij verkondigen het niet alleen, maar leven er ook naar. Ze zetten zich in voor de armen, de zieken, de mensen die gemeden worden. Daarmee treden ze in het voetspoor van Jezus en betonen ze barmhartigheid zoals Hij ons dat heeft voorgedaan. Zij geven hun leven aan God door het aan Hem toe te wijden. Je aan God toewijden is niets anders dan van betekenis willen zijn voor de mensen om je heen. Geven aan God wat van God is, dat is proberen van deze wereld een betere wereld te maken.

Belasting of barmhartigheid?

Je kunt dus zeggen dat wij van onze naasten zijn. Ons leven is uiteindelijk niet van onszelf, maar van onze naaste. Ons leven krijgt geen betekenis doordat we belasting betalen, maar doordat we barmhartig zijn. En daarmee brengen we het eerste en belangrijkste gebod in praktijk: dat we God liefhebben en gelijktijdig daarmee onze naaste als onszelf. Dat is precies wat Paulus benoemt in de tweede lezing: het werkdadige geloof. Een geloof, dat niet blijft hangen in mooie woorden of spitsvondige discussies. Maar een geloof dat zich uitwerkt in wat wij voor anderen kunnen en willen betekenen. Zo geven wij het evangelie handen en voeten in ons dagelijks leven. Dat betekent dat we geroepen zijn tot barmhartigheid, tot medemenselijkheid. De kracht van de heilige Geest helpt ons hierbij. Ons leven geven aan onze naasten, aan God, dat maakt ons niet armer, integendeel: het maakt ons menselijker en daardoor rijker. En dan is belasting betalen aan de keizer in wezen een bijkomstigheid. Want meer dan belasting aan de keizer zijn wij barmhartigheid verschuldigd aan ieder die appelleert aan de roep om mens te mogen zijn als wijzelf.