zondag 4 juni 2017

Erop uit!

Overweging op het feest van Pinksteren (jaar A)

Lezingen: Handelingen 2,1-11; Johannes 20,19-23

Ieder mens heeft een zekere ruimte nodig. Ruimte om te ademen, ruimte om te leven. Als die ruimte er niet is, dus als je in het nauw zit, dan krijg je het – letterlijk of figuurlijk – benauwd. Als je te nauw moet leven, dan kan het zijn dat je wordt beheerst door angst. Of door een te sterke behoefte om je aan voorschriften en regels te houden. Soms ben je ook gedwongen tot benauwdheid, bijvoorbeeld als je longcapaciteit door ziekte beperkt is. Dan is het fijn, als er hulpmiddelen zijn die lucht kunnen geven.

Levenslucht en ruimte maken het mogelijk dat mensen tot bloei kunnen komen. Dat er iets moois kan ontstaan, nieuwe ideeën gaan bloeien. Dat er enthousiasme en nieuw elan groeit. Dat het vasthouden aan oude gewoonten of strakke regels plaats maakt voor bezieling en vurigheid.


Een frisse wind

In het evangelie horen we, hoe Jezus die bezieling blaast over zijn vrienden. Het is de afsluiting van een periode van angst en benauwenis, die de leerlingen hebben doorgemaakt. Ze hadden zichzelf opgesloten uit vrees voor de Joden. Het blazen van Jezus brengt – niet alleen letterlijk, maar ook in figuurlijke zin – een frisse wind. Er gaat een ander klimaat heersen, de angst maakt plaats voor nieuwe levenskracht. En Jezus stuurt zijn leerlingen op weg met de opdracht om zonden te vergeven. Het gebeurt als het ware in een adem: nieuwe levenslucht en de opdracht tot vergeving. Beide geven ruimte. Beide geven nieuwe kansen. De bezieling van de heilige Geest en de verzoening met de naaste (en met jezelf) komen uit dezelfde bron: de goddelijke levensadem, die sterker is dan dood en benauwenis.

Wat er dan kan gebeuren, hebben we gehoord en gezien in het verhaal uit de Handelingen. Ook hier zijn het de wind en het vuur, die bezieling los maken bij de leerlingen van Jezus. Hun enthousiasme en hun vreugde zijn zo groot, dat ze niet langer kunnen zwijgen. Ze moeten vertellen over wat ze met Jezus hebben meegemaakt en over Gods grote daden. Ze moeten doorvertellen, dat de schandelijke executie van Jezus niet het einde is. Hij leeft verder in de herinnering en in de daden van zijn volgelingen. En het wonderlijke van die gebeurtenis in Jeruzalem is, dat iedereen het verstaat. Iedereen snapt het. Wat de leerlingen te zeggen hebben, wordt niet belemmerd door taalbarrières. Het is een universele taal, die ze spreken. Het is de taal van enthousiasme, van liefde, van respect. Het is de taal van het hart, van hoop, van geloof.

Bezieling

Het is een taal, die we vandaag beluisteren in de eenvoud en de toegankelijkheid van paus Franciscus. Maar de taal van het hart horen we ook in de toewijding waarmee leerkrachten op school hun beste vermogens inzetten om jonge mensen op weg te helpen naar hun toekomst. De taal van het hart beluister je ook in de bezieling waarmee een zanger of muzikant een mooi muziekstuk vertolkt. De taal van het hart spreekt uit de inzet en overgave waarmee een stratenmaker een mooi stoepje neerlegt, of uit de uitgelaten lach van een kind dat geniet van een leuk konijn. De taal van het hart spreekt uit de liefdevolle zorg van kinderen voor hun bejaarde en hulpbehoevende ouders, maar ook uit de respectvolle ruimte die ouders aan hun kinderen geven om hun eigen weg te vinden in het leven.

De taal van het hart krijgt de ruimte in de verhalen uit het evangelie en uit de Handelingen. Dat is wat wij mogen vieren op dit Pinksterfeest: dat de leerlingen, en dat wij, de geest krijgen. De geest die ons bezielt, de heilige Geest, die ons aanvuurt en gaande houdt. De geest die ons aanspoort om ons niet op te sluiten in angst en benauwenis. De geest die ons op weg zet om niet teveel te kijken naar wat geweest is, maar die ons richt op wat komt, op nieuwe mogelijkheden, nieuwe ontmoetingen.

Erop uit!

De taal van het hart kan – , sterker nog: de taal van ons hart moet ons op weg zetten om als kerkgemeenschap niet opgesloten te blijven in ons eigen kleine kringetje. Wij moeten niet blijven afwachten tot de mensen weer naar ons toe komen, naar de kerk. Nee, wij moeten erop uit, naar de mensen toe, wij moeten laten zien dat ons geloof en onze bezieling betekenis heeft voor de wereld waarin wij leven. Wij moeten laten zien, dat de taal van het hart de taal is, waar de wereld op zit te wachten.

En dan zou het zomaar kunnen gebeuren, dat de mensen zeggen: 'Maar zijn allen die daar spreken geen christenen? Hoe komt het dan dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? Inwoners van 's-Heerenhoek  en Amsterdam, Goesenaren en bewoners van de Brabantse zandgronden, inwoners van Heinkenszand en mensen afkomstig van de Limburgse lössgronden, mensen uit Overijssel en uit Rwanda, Israëli's en Palestijnen, boeren en buitenlui, wij horen hen – in de taal van het hart – spreken van Gods grote daden'.