zondag 12 maart 2017

Geroepen tot zegen

Overweging bij de 2e zondag van de Veertigdagentijd (jaar A)

Lezingen: Genesis 12,1-4a; Matteüs 17,1-9

Het is iedere week hetzelfde patroon: de was moet gedaan worden, de boodschappen in huis gehaald, misschien wel opvang van de kleinkinderen. De dagelijkse mantelzorg voor je partner. Of op je werk telkens weer in overleg met een minder sympathieke collega, de deadline die gehaald moet worden, of de zoveelste klant die onterecht zijn klachten op je richt. Het leven kan zich soms van een hele grauwe kant laten zien, als de sleur de overhand lijkt te krijgen. De vraag naar zin en betekenis van je leven komt dan gemakkelijk naar boven. Het antwoord op die vraag is soms ver te zoeken.

Hoogtepunt

In het stukje dat voorafging aan het evangeliegedeelte van deze zondag vertelt Jezus aan zijn leerlingen dat zijn weg er een is die eindigt met lijden en dood. Dat kan er niet in bij Jezus' vrienden. Dat zou toch compleet zinloos zijn, terwijl hij nog wel zoveel goed doet voor ieder die er niet bij hoort! Ook hier komt de vraag naar zin en betekenis heel rauw op tafel te liggen. En ja: ook hier is het antwoord verre van eenvoudig. Want Jezus laat zijn vrienden weten, dat ook zij hun kruis op zich moeten nemen.


De andere kant van de medaille wordt ons vandaag getoond in de scene die zich afspeelt op de berg. Jezus laat zijn vrienden iets ervaren van waar de weg toe leiden kan. Petrus, Jakobus en Johannes zien hem – een kort moment maar! – als iemand die straalt van binnenuit. Zoals je iemand ziet stralen, die enorm verliefd is. Of iemand die helemaal opgaat in zijn enthousiasme voor de muziek. Misschien komt die uitstraling ook wel, doordat Jezus in gesprek is. Mozes, zogezegd de grondlegger van de joodse wetgeving, en Elia, een van de grootsten in de profetische traditie van de joden, maken het visioen compleet. De verteller van het evangelie, Matteüs, wil daarmee onderstrepen dat Jezus staat in de traditie van het joodse volk. Sterker nog: die traditie komt in Jezus tot vervulling, tot een hoogtepunt. Dat klinkt door in de woorden die komen uit de wolk: 'Dit is mijn Zoon, de welbeminde. Luister naar hem.'

Tegenwicht

Het hele visioen is absoluut een topervaring, die grote indruk maakt op de vrienden van Jezus. Zoiets zou je willen vasthouden, indien mogelijk voor altijd. De suggestie van Petrus om drie tenten te bouwen bevestigt deze wens. Maar ja, een bergtop kan er alleen maar zijn als er ook een dal is waarnaar je moet terugkeren. Licht is er alleen maar als je het kunt onderscheiden van duisternis. En daarom neemt Jezus de drie metgezellen weer mee van de berg naar beneden toe.

Het zijn juist deze topervaringen die mensen nodig hebben in hun leven om tegenwicht te bieden aan de dagelijkse grauwsluier of het gebrek aan zin en betekenis. Het vooruitzicht dat het leven beter zal worden houdt ons op de been, houdt ons gaande. De droom van een mooiere toekomst, van een leven dat een zekere glans heeft, helpt ons om de weg te gaan naar morgen en overmorgen. Zo'n droom wordt ook Abram voorgehouden. Een groot nageslacht en een land om in te wonen: dat is de toekomst die hem wordt voorgehouden door God.

Op weg gaan

Deze droom komt niet helemaal uit de lucht vallen. Want Abram woonde in de stad Charan, waar een verstikkende politieke en religieuze sfeer heerste. Teveel goden, te weinig bewegingsvrijheid, gebrek aan rechtvaardigheid en vrede, geen ruimte voor Abram om de God te aanbidden die werkelijk betekenis en zin geeft aan zijn leven. En dan is er die belofte van God: trek weg van hier; ik zal jou zegenen en je zult zelf een zegen zijn.

Misschien is dat wel het meest kenmerkende van de twee verhalen, die we vandaag beluisteren: dat je op weg moet gaan om anderen tot zegen te kunnen zijn. Blijven zitten boven op de berg, blijven wonen in het verstikkende Charan: je zult er je bestemming niet door vinden. Je moet van de berg weer afdalen, terug naar de sleur ook van alledag, en je moet het risico van de onzekere reis aanvaarden, wil je uitkomen op een plek waar je kunt zijn wie je werkelijk bent. Je moet op weg durven gaan, wil je toekomst kunnen zien.

Geroepen tot zegen

En dat is ook de gang die wij moeten maken in deze Veertigdagentijd. Wij kunnen alleen een andere toekomst ontdekken, wij kunnen alleen anderen tot zegen zijn, wanneer we niet blijven zitten op ons veilig plekje. We moeten op weg gaan, we moeten in beweging komen naar de ander toe. Wanneer we ruimte maken in onze dagen voor de ander, wanneer we onszelf open stellen voor wat die ander ons te zeggen heeft, dan kan er iets nieuws ontstaan, dan kan er iets moois gaan groeien.

In beweging komen, veertig dagen lang, zoals het joodse volk veertig jaar door de woestijn ging. Maar wel op weg: naar het beloofde land. Zo kunnen wij in deze weken voor Pasen op weg gaan: naar ieder die een beroep op ons doet. In eigen omgeving of door ondersteuning te geven aan het project van de Vastenactie in San Salvador. Wat daartoe zijn wij uitgenodigd en geroepen: om anderen tot zegen te zijn.