zondag 9 oktober 2016

De uitnodiging accepteren?

Overweging op de 28e zondag door het jaar (jaar C)

Lezingen: 2 Koningen 5,14-17; Lucas 17,11-19

Ieder mens wordt in zijn leven wel geconfronteerd met ziekte. Dat kan variëren van een gewone verkoudheid, waardoor je overigens best beroerd kunt zijn, tot bijvoorbeeld een versleten heup of zware hartklachten. Ziekte heeft niet altijd te maken met lichamelijke oorzaken.  Ook geestelijk kan een mens zodanig in de  kreukels terecht komen, dat hij niet meer goed kan functioneren.

Bedreigend

Ziekte, of het nu van lichamelijke of psychische aard is, heeft iets bedreigends. Je wordt geconfronteerd met de beperkingen van lichaam of geest. Het belemmert je in je functioneren als mens. En het gevolg is vaak ook, dat je gehandicapt bent in je omgang met de mensen in je omgeving.

Daarom is het niet verwonderlijk, dat mensen zo'n grote waarde hechten aan een goede gezondheid. Als je na een flinke griep weer helemaal bent opgeknapt, dan ben je blij en voel je je weer een hele Piet. En wie na een zware operatie weer helemaal beter is, kent dat gevoel van blijdschap in nog sterkere mate.


Soms is het ook zo, dat je na een zware ziekte anders moet gaan leven. Misschien moet je een dieet gaan volgen, of – wanneer je hartpatiënt bent – een ander levensritme aanleren. Ook wanneer je geestelijk in de knoop bent geweest, moet je jezelf vaak een andere manier van leven aanwennen. Zo'n omschakeling gaat meestal niet vanzelf. Het vereist, dat je een andere instelling krijgt, dat je anders omgaat met jezelf, met je lichaam en geest, met je hele manier van leven. Zo kan het dus gebeuren, dat ziekte en genezing als het ware een keerpunt in je leven worden.


Vreemdeling

Dat zo'n keerpunt, zo'n omschakeling niet vanzelfsprekend is, zien we terug in het evangelieverhaal van deze dag. Want van de tien melaatsen leeft de grote meerderheid op de oude voet verder: ze laten zich niet meer zien. Slechts een van hen komt tot inkeer. Hij komt terug om zijn dankbaarheid te tonen. Hij is een Samaritaan, een vreemdeling dus, een niet-jood. Uitgerekend hij is de enige die beseft, dat zijn genezing meer betekent dan alleen een gezond lichaam. Het betekent ook, dat hij weer een plaats krijgt binnen de gemeenschap. En vooral daarvoor is hij dankbaar. Hij wil die dankbaarheid omzetten in concrete daden.

Het is opvallend, dat in beide lezingen van vandaag juist de vreemdelingen, de niet-joden hun dankbaarheid tonen tegenover de God van Israël. Zowel de Samaritaan als de Syriër Naäman willen hun dankbaarheid concreet maken. Allebei zijn ze genezen, allebei komen ze tot het besef, dat ze hun genezing te danken hebben aan de God van Israël. Die God willen ze voortaan danken en dienen.

Keerpunt

Juist bij deze twee vreemdelingen zien we dus, dat hun ziekte en de genezing die daarop volgt, een keerpunt in hun leven wordt. Bij Naäman de Syriër zien we dat heel duidelijk. Hij wil God danken en blijven dienen, ook als hij terugkeert naar zijn eigen land, zijn eigen grond. Maar hij wil dan wel een karrenvracht aarde meenemen van de grond van Israël. Hij doet dat niet zomaar, want dit is voor zijn gevoel de enige grond waarop hij een offer kan brengen aan God. Het meenemen van die grond is het symbool van zijn bekering; het teken dat zijn genezing een keerpunt is geworden in zijn leven.

Zo laten de verhalen uit de Bijbel ons zien, dat genezing na een ziekte dus een keerpunt, een omschakeling kan worden in het leven van een mens. Maar deze bijbelse verhalen over de genezing van zieken willen ons nog iets ander zeggen. Als Jezus vandaag tien melaatsen geneest, dan doet hij dat omdat hij begaan is met hun lot. Zoals ook pater Damiaan, van wie wij morgen in Ovezande het patroonsfeest van onze parochie vieren, begaan was met de melaatsen op Molokai. U weet dat de melaatsen in de tijd van Jezus en ook ten tijde van pater Damiaan de paria's van de samenleving waren. Zij waren uitgestoten, verbannen uit de gemeenschap. Genezing betekent nu juist, dat zij weer opgenomen werden in de gemeenschap. Ze kunnen als mens weer volwaardig mee functioneren. Als Jezus dus mensen geneest, dan geeft hij hen een nieuwe kans, een nieuwe mogelijkheid. En zo wil hij ook ons iets duidelijk maken over de bedoeling van God met ons, mensen. Want genezing betekent niet alleen, dat je een punt kunt zetten achter je ziekte. Het betekent ook, dat je een nieuw begin kunt maken. Een nieuw begin, een nieuwe manier van leven, afgewend van ziekte en kwaad, meer afgestemd op de bedoeling van God met ons.

De uitnodiging accepteren?

Of mensen inderdaad gebruik maken van die nieuwe mogelijkheid, of zij die kans benutten, hangt niet van God, maar van onszelf af. Die ruimte, die vrijheid geeft hij ons. De negen melaatsen die na hun genezing niet terug keren, maken in wezen geen gebruik van die kans. De Samaritaan en ook Naäman doen dat wel. Zij beseffen, dat hun genezing ook de uitnodiging en de opdracht inhoudt om anders te gaan leven, een nieuw leven te beginnen: beter afgestemd op Gods bedoelingen.

Die uitnodiging geldt ook voor ons, voor ieder van ons, of we nu ziek zijn of gezond, jong of oud, man of vrouw, rijk of arm. Een nieuw begin maken, meewerken aan Gods bedoeling, telkens opnieuw: daartoe nodigt hij ons uit. Maar het hangt van onszelf af, of wij die uitnodiging accepteren. Leven wij op dezelfde voert verder, zoals de negen die niet terug keren, of maken we een nieuw begin, zoals de Samaritaan en de Syriër?