zondag 11 september 2016

Barmhartig zijn

Overweging op de 24e zondag door het jaar (jaar C)

Lezingen: Exodus 32,7-11.13-14; 1 Timoteüs 1,12-17; Lucas 15,1-10

Iedere dag vind je in de krant twee kleine tekeningen, die bijna hetzelfde zijn, maar waarin je toch tien kleine verschillen kunt ontdekken. Je moet goed kijken en zoeken, maar uiteindelijk zijn ze wel te vinden. In de lezingen van deze dag zijn, als je goed zoekt, ook een paar details te vinden. Details die de moeite waard zijn om iets beter te bekijken.

Om te beginnen de eerste lezing. Als het volk in de woestijn een stierenbeeld heeft gemaakt, dan wordt Mozes daarop aangesproken: 'het volk dat jij uit Egypte hebt geleid,' briest God. Het lijkt wel alsof het Mozes zijn schuld is. Maar even later, als Mozes aan zijn verweer begint, wordt de bewijslast omgekeerd. 'Waarom boos zijn op het volk, dat U uit Egypte hebt geleid?' Mozes legt de verantwoordelijkheid dus terug bij God. Een ander opvallend detail is, dat God zegt: 'Ik zal dit volk in mijn woede vernietigen, maar jou – Mozes – zal ik een groot nageslacht geven.' En dan herinnert Mozes diezelfde God aan zijn belofte die hij deed aan de voorvaderen: niet alleen Mozes, maar heel het nageslacht van Abraham, Izaäk en Jakob zal talrijk zijn.


Detail

En het mooiste detail van de hele vertelling is misschien wel, dat God zich door Mozes tenslotte laat ompraten. Diezelfde God, die laaiend is en zegt: 'Houd mij niet tegen, ik zal hen van de aardbodem wegvagen,' diezelfde God ziet tenslotte de redelijkheid van de argumenten van Mozes in – hij ziet af van het onheil waarmee hij zijn volk bedreigt. Hij is een God waar mee te praten valt. Hij blijkt een God te zijn, die – hoewel terecht verbolgen – hart heeft voor mensen. Een God dus van barmhartigheid.

Diezelfde barmhartigheid vinden we terug in de lezing uit de brief van Paulus. Hij beseft, dat hij in het verleden de christenen heeft vervolgd, Maar de apostel weet nu ook, dat hij een nieuwe kans heeft gekregen omdat God barmhartig is. Die barmhartigheid is er niet zomaar, nee – ze heeft een duidelijk doel. Want, zegt Paulus, door die barmhartigheid ben ik het 'model (geworden) voor allen die in de toekomst op Hem vertrouwen,'

Net als in de eerste lezing, zijn er ook in het evangelie een paar opvallende dingen aan de hand. Een herder van een kudde van honderd schapen laat er negenennegentig aan hun lot over om het ene schaap dat kwijt is te zoeken. Ieder verstandig mens zou toch zeggen: 'Jammer van dat ene, maar ik ben blij dat ik die negenennegentig nog heb.' En hetzelfde geldt ook voor de huismoeder die van haar tien drachmen er één kwijt is. Goed, bij deze huismoeder is sprake van 10% van haar bezit, bij de herder van slechts 1%, dus het zoeken naar die ene drachme – daar kun je je nog iets bij voorstellen.

Parabel

Maar in wezen gaat het daar niet om in het verhaal. Het is geen verhaal over een boekhouding, maar het is een parabel. Die wil iets heel anders duidelijk maken. Waar het verhaal werkelijk om gaat, is af te lezen uit de eerste zinnen. Jezus gaat om met tollenaars en zondaars, mensen die in de ogen van de Farizeeën de aandacht van Jezus niet waard zijn. Met de vergelijkingen van de herder en de huismoeder laat Jezus zien, dat juist degenen die verloren dreigen te lopen, de aandacht waard zijn. Het ligt in het verlengde van de eerste lezing: het volk van God dat verloren dreigt te gaan van de redding uit Egypte wordt door God weer aan zijn hart gedrukt. En de zondaars en tollenaars, die ook van Gods genade en redding worden uitgesloten door de Farizeeën, worden door Jezus niet naar de marge verwezen maar in het centrum geplaatst. Zij krijgen de volle aandacht van Jezus. En je zou kunnen zeggen: zoals God door Mozes is omgepraat, zo praat Jezus de Farizeeën om.

Kern van alle twee de verhalen is, dat het gaat om barmhartigheid. God strijkt over zijn hart als het gaat om dat weerbarstige volk in de woestijn, hij strijkt over zijn hart als het gaat om die fanatieke christenvervolger, en hij strijkt over zijn hart als het gaat om de mensen die door anderen naar de marge van de aandacht worden geplaatst. God is barmhartig, hij laat zich ompraten. Hij zoekt het kwetsbare en hij behoedt het vanuit zijn liefdevolle bewogenheid.

Barmhartig zijn

Het is die barmhartigheid van God, die wij in ons eigen leven soms ook mogen ervaren. Als je beseft, dat je ernstig tekort bent geschoten, maar je krijgt een nieuwe kans, dan is dat Gods barmhartigheid. Als je vastloopt in je eigen krampachtigheid, waardoor het lijkt alsof alles en iedereen zich tegen je keert, maar er is iemand in staat om jou te ontdooien en tot rust te brengen, dan is dat Gods barmhartigheid. Als het lijkt alsof je leven zich afspeelt in een donker doolhof – zonder vooruitzicht, zonder glans of licht – , maar iemand is in staat om je een lichtpuntje in het donker te laten zien, dan is dat Gods barmhartigheid.

En zo worden ook wij op onze beurt opgeroepen om barmhartig te zijn voor anderen in onze omgeving. Niet oordelen, als je de persoon of de situatie niet voldoende kent: dat is Gods barmhartigheid. Niet weglopen als een ander een dringend en terecht beroep op je doet: dat is Gods barmhartigheid. Jezelf niet doof houden als iemand je vraagt een kwartier met aandacht en hartelijk te luisteren: dat is Gods barmhartigheid. Zo kunnen ook wij laten zien, dat we – in navolging van Jezus en God zelf – ons laten ompraten, met de bedoeling om al wie kwetsbaar is te zoeken en te behoeden.