zondag 7 augustus 2016

Ingaan op de belofte

Overweging bij de 19e zondag door het jaar (jaar C)

Lezingen: Wijsheid 18,6-9; Hebreeën 11,1-2;8-19; Lucas 12,32-48

Als iemand jou een belofte doet, dan is dat een toezegging die nog moet worden waargemaakt. 'Ik kom morgen wel even langs om die lamp op te hangen.' 'We komen jullie volgende week opzoeken om te zien hoe het met de gezondheid van je vrouw gaat.' Of tegen een kind dat bang is voor het onweer: 'Je hoeft niet bang te zijn, het komt wel weer goed.' De belofte wacht op vervulling in de toekomst. En jij moet erop vertrouwen, dat de belofte ook realiteit zal worden.

Lijdzaam afwachten?

In de lezingen van vandaag gaat het ook over beloftes die worden gedaan. Maar het zijn beloften die niet alleen vragen om vertrouwen en lijdzaam afwachten. Het zijn beloften die ook om een actieve inzet van onze kant vragen. Het zijn beloften die ons de vraag stellen: durf je erop in te gaan? En tegelijk: ben je bereid om zelf mee te werken aan het waar worden van de belofte? Ingaan op een belofte is in zekere zin altijd een waagstuk, maar tegelijk ook iets om er – voor zover het binnen je mogelijkheden ligt – actief aan mee te werken.


In de lezing uit het boek Wijsheid hebben we gehoord, dat de bevrijding uit Egypte was toegezegd, was beloofd aan de voorvaderen. Die belofte veronderstelt het vertrouwen van de joodse slavenarbeiders, dat God zich aan zijn toezegging zal houden. In die zin is het ingaan op de belofte een waagstuk. Maar tegelijk kunnen de Israëlieten iets doen om die belofte waar te krijgen. Er staat namelijk in de lezing, dat zij zich verplichten om gelijkelijk het goede te delen en de gevaren te trotseren. De uittocht uit het slavenland zal immers niet zonder risico’s zijn. Maar met het heilige voornemen om schouder aan schouder te staan willen de Israëlieten de vervulling van de belofte dichterbij halen. Vertrouwen dus en inzet tegelijkertijd: zo durven ze ingaan op Gods belofte.

Gehoor geven

Iets dergelijk horen we in de lezing uit de brief aan de Hebreeën. 'Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roeping van God: hij ging op weg zonder te weten waarheen.' Hij woonde in de stad Ur in Mesopotamië, met zijn vele en onrechtvaardige goden. Van daaruit trok Abraham naar een land dat hij niet kende, maar waar hem wel een toekomst wachtte. Een toekomst met uitzicht, omdat in dat land van belofte rechtvaardigheid zou heersen. Met die belofte liet Abraham zich in. En hij toonde ook een actieve inzet, want hij bleef niet wachten op de toezegging, nee: gij ging. Hij ging ernaar op zoek, hij wilde met zijn onzekere tocht de toezegging van God waar krijgen. En – zo wordt ons verteld – ook al kreeg Abraham niet zelf de vervulling van de belofte te zien, toch bleef hij erop vertrouwen dat er toekomst zou zijn in dat land: zo niet voor hemzelf, dan toch voor zijn nageslacht. Vertrouwen dus en inzet tegelijkertijd: zo durft Abraham in te gaan op Gods belofte.

En dan de lezing uit het evangelie. Tegenover zijn leerlingen doet Jezus een belofte die lijkt op de geruststelling van een bang kind bij het onweer. 'Wees niet bevreesd, kleine kudde, het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken.' Met deze formulering ('het heeft uw Vader behaagd') lijkt het, alsof dat koninkrijk van God al een gegeven is. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Het koninkrijk van God is geen statisch gegeven, geen vastomlijnd territorium. Het is eerder een toekomstdroom, een visioen, een belofte die nog gerealiseerd moet worden. Het is een gewenste toestand van vrede en gerechtigheid, van liefde en barmhartigheid. En juist omdat het een gewenste toestand is, zullen de leerlingen, zullen ook wij er dus inzet voor moeten tonen. De belofte wordt meer gerealiseerd naarmate wij ons er meer voor inzetten. Niet dat het van onze inzet alleen afhangt, maar je moet het ook niet uitsluitend overlaten aan degene die de toezegging doet.

Ingaan op de belofte

Je moet dus ook alert zijn om de kansen te benutten, die de vervulling van de belofte dichterbij halen. We zijn op weg naar de vervulling van de belofte, net als de Israëlieten, net als Abraham op weg gingen naar het beloofde land. En het benutten van de kansen is de manier om de belofte waar te krijgen. En als die belofte gerealiseerd zal zijn, dan neemt de heer van het huis de rol van gastheer op zich. Hij zal zijn dienaren aan tafel bedienen. Als de belofte gerealiseerd wordt, dan gebeuren er onverwachte en onvermoede dingen. Dan wordt de inzet van trouwe dienaren beloond met meer dan waarop je had mogen hopen.

Vertrouwen dus in de belofte, in de toekomstdroom van het koninkrijk van vrede, gerechtigheid, liefde en barmhartigheid. Vertrouwen en tegelijk inzet om dat koninkrijk waar te krijgen. Zo kunnen wij ingaan op Gods belofte. Maar je zult het waar moeten krijgen in de dagelijkse omstandigheden. Door een luisterend oor te bieden. Door er te zijn als iemand een beroep op je doet. Door je in te zetten voor de dorpsraad. Door lid te worden van Natuurmonumenten of van Amnesty. Door mee te helpen bij het kindervakantiewerk. Door de bloemen te verzorgen in de kerk. Door gastvrijheid te bieden. Door trouwe dagelijkse zorg voor je kinderen of voor je ouders. Er zijn zoveel kansen om de belofte van Gods koninkrijk waar te krijgen... Maar je moet wel op de belofte durven ingaan.