zondag 10 april 2016

Pasen, steeds opnieuw

Overweging op de 3e zondag van Pasen (jaar C)

Lezingen: Handelingen 5,27b-32.40b-41; Johannes 21,1-14

Ooit heb ik het verhaal gehoord van een man, die vertelde dat hij ernstig ziek was geweest. Zo ernstig, dat hij op het randje van de dood had gelegen. Niemand begrijpt het, maar hij was weer beter geworden. 'Sindsdien ben ik een ander mens geworden,' zei hij. 'Dingen waar ik mij vroeger druk om maakte, vind ik nu erg betrekkelijk. En waar ik toen aan voorbij leefde, heeft nu veel meer waarde gekregen. Ik leef anders, intenser.' Je kunt je voorstellen, dat deze man voor zijn vrienden en familie een ander mens is geworden. De buitenkant is dezelfde gebleven, maar zijn gedrag, zijn manier van reageren is anders geworden. Wie hem vóór en na zijn ziekte heeft gekend, zal nu zeggen: hij is het, en toch ook weer niet. Hij is anders geworden.

Ornament in de Geertruidskerk
te Geertruidenberg
Twijfel

Iets van die verwarrende ervaring vinden we terug in dat rare zinnetje uit het evangelie: 'Wetend dat het de Heer was, durfde geen van zijn leerlingen hem te vragen: Wie bent U?.' Ze weten dat Hij het is, maar er is toch twijfel: is Hij het echt? Hij was toch geëxecuteerd door de kruisiging? En nu staat Hij hier, eerst als iemand die vraagt om een stuk vis, en later, weer terug op het strand, als de gastheer die hen uitnodigt voor het ontbijt.


We moeten – ik kan dat niet genoeg benadrukken – beseffen dat het hier om een geloofsverhaal gaat. De meeste verhalen in de bijbel zijn geloofsverhalen. Het zijn verhalen die een ander soort taal gebruiken om iets uit te drukken, dat in gewone woorden niet goed te zeggen is. Neem bijvoorbeeld het verhaal van het brandende braambos. Een ongebruikelijke gebeurtenis, daar gaat het om. Niet hoe, maar dat Mozes een ontmoeting met God heeft, dat is de essentie van het verhaal. En dat het een bijzondere ontmoeting is geworden, wordt uitgedrukt in de bijzondere omstandigheden waarover wordt verteld.

Bijzondere ontmoeting

Zo is ook de ontmoeting van de leerlingen met Jezus, daar op het strand bij het meer van Tiberias, een bijzondere ontmoeting geworden. Niet zozeer hoe, maar dat zij Jezus als aanwezig hebben ervaren na zijn kruisdood, dat is de essentie van het verhaal. En dat het een bijzondere ervaring is geworden, dat wordt uitgedrukt in de bijzondere omstandigheden waarover wordt verteld. Hij is het, en toch ook weer niet. Hij is aanwezig bij zijn vrienden op een andere manier dan tot dusver.

Ik denk, dat dit de kern is van het paasgebeuren, de kern die verteld en overdacht wordt in de evangelieverhalen van deze zondagen van Pasen. Het zijn geloofsverhalen die een ander soort taal gebruiken, want hoe kun je anders iets vertellen over de verrijzenis? Hoe kun je iets zeggen over een ervaring, waar eigenlijk geen woorden voor te vinden zijn? Verrijzenis, opstanding wil zeggen dat Jezus na zijn dood voortleeft bij God, en dat hij tegelijk actief bij zijn leerlingen aanwezig blijft. Zij kunnen de gedachte aan hem maar niet loslaten, maar op zijn beurt laat Hij ook zijn vrienden niet los.

Blijvende verbondenheid

Het verhaal uit het evangelie geeft aan, hoe Jezus voortaan aanwezig zal zijn bij zijn leerlingen. De maaltijd op het strand is een voortzetting van gemeenschappelijke maaltijden met Jezus, zoals de leerlingen die tijdens zijn leven hebben gekend. De maaltijd staat voor de blijvende verbondenheid met Hem. Ook de visvangst geeft de manier aan waarop hij actief aanwezig is bij zijn vrienden. Op zijn aanwijzing wordt de vis gevangen. En waar vis wordt gevangen, is voedsel, daar is leven mogelijk, daar worden nieuwe kansen aangeboord. 153 vissen zaten er in het net, 153 vissoorten waren er bekend in de antieke wereld. De levenskracht die uitgaat van Jezus is bestemd voor alle mensen, alle volken. Zo wordt de aanwezigheid van Jezus ervaren na zijn dood: Hij is er niet meer, maar toch ook weer wel.

Zo krijgt het paasgebeuren zijn eigenlijke betekenis, wanneer de leerlingen elkaar verhalen vertellen over hun ontmoeting met Jezus, de Verrezene. Pasen wordt het pas, wanneer je elkaar daaraan herinnert, wanneer je elkaar daarover blijft vertellen. Pasen wordt het pas, wanneer je ervoor uitkomt dat je gelooft in het ongelofelijke: Jezus die gestorven is, is niet dood, Hij leeft, in onze harten, in onze hoop. Hij leeft, overal waar mensen weigeren om zich neer te leggen bij wat onvermijdelijk lijkt te zijn. Hij leeft, overal waar mensen bereid zijn om zich te verzetten tegen alles wat onze wereld kapot maakt en onze verbondenheid bedreigt. Hij leeft, overal waar mensen de maaltijd met hem voortzetten, overal waar ze brood en wijn delen met elkaar. Hij leeft in ons midden, in ons hart, als wij zelfs weigeren om die onvermijdelijke dood niet als onvermijdelijk te zien, als wij doen wat ondenkbaar is.

Pasen, steeds opnieuw

Natuurlijk: mensen gaan dood, en wij voelen de soms snijdende pijn om het gemis. Maar gelukkig, dat wij die pijn voelen. Waar het schrijnende gemis niet wordt ervaren, daar is ook geen verbondenheid, geen liefde en genegenheid geweest. Juist door de ervaring van het gemis voelen wij (al is het meestal pas gaandeweg), hoezeer de geliefde voortleeft in ons hart: niet meer lichamelijk aanwezig, maar als een dierbaar gekoesterde herinnering, als iemand die toch steeds bij ons blijft, een deel van onszelf.

Pasen is ook nu nog niet voorbij. Pasen wordt het steeds opnieuw: als mensen opstaan uit hun moedeloosheid en weer enthousiast worden. Pasen wordt het, als mensen omhoog krabbelen uit een diepe dip en kracht vinden om verder te gaan. Pasen wordt het, als mensen doodlopende wegen in hun leven de rug toekeren en wegen vinden met een nieuw perspectief. Pasen wordt het, als mensen elkaar de weg wijzen naar een onvermoede toekomst en naar nieuw vooruitzicht.