zaterdag 20 februari 2016

Voor-leven en verder-leven

Beschouwing in de Veertigdagentijd

We zijn – in deze periode van voorbereiding op het Paasfeest – bezig om ons te bezinnen op de meer essentiële zaken in het leven. Onze aandacht wordt nadrukkelijker naar binnen gericht: hoe verhoud ik mij tot de mensen om mij heen? Ben ik bezig met wat ertoe doet in het leven? Kan ik een zekere stilte in acht nemen om alert te zijn op signalen van wat God van mij verwacht?

Onderscheiden

Deze gerichtheid naar binnen is nodig om te leren onderscheiden tussen goed en beter, of zelfs tussen beter en best. Maar dit naar binnen kijken moet uiteindelijk resulteren in de manier waarop we ons opstellen in de wereld waarin wij leven. Het gaat om de manier waarop wij willen bijdragen aan een wereld, aan een manier van samenleven, die erop gericht is dat mensen tot hun recht komen, dat God tot zijn recht komt. Door de ander/Ander tot zijn recht te laten komen, komen ook wijzelf tot ons recht.


Om die bezinning een kans van slagen te geven, is een zekere soberheid nodig. Jezelf bewust afsluiten voor een overmaat aan indrukken en informatie, aan spijs en drank, aan vertier en plezier – dit kan (in allerlei vormen en variaties) helpen om beter zicht krijgen op wat ertoe doet. Door een zekere soberheid te betrachten kun je beter toelaten, hoe anderen in de wereld er minder goed aan toe zijn dan jijzelf.

Debacle als nieuw begin

Je inlaten met wat anderen nodig hebben, ten diepste nodig hebben, dat is waar Jezus voor heeft geleefd. Met verhalen en rake voorbeelden, met het samen vieren van maaltijd en met genezingen leerde hij mensen het belang van vergeving, van verzoening, van jezelf wegschenken, van mededogen en oprechte hartelijkheid, van een ultiem vertrouwen op Gods dragende kracht. Deze liefdevolle levenshouding werd (door tegenstanders, maar op bepaalde momenten ook door medestanders) niet erkend. Het heeft hem uiteindelijk zijn leven gekost, op een bizarre en gruwelijke manier. Weggegooid als oud vuil – zo leek het – werd zijn levensproject tenslotte op een enorm debacle.

Maar dat was het niet.

Langzaam groeide bij zijn volgelingen het inzicht (eigenlijk werd dit inzicht hen gegeven vanuit Gods genade), dat dit debacle een nieuw begin werd. Het kon toch niet zo zijn, dat deze grandioze, optimistische, vertrouwvolle, hartelijke en mededogende mens volkomen voor niets gestorven zou zijn. Wat hij had voor-geleefd, dat moest worden verder-geleefd, zo leerden zijn vrienden zien. In het groeiende enthousiasme van de leerlingen ontdekten zij, dat Jezus – gestorven aan het kruis – nog steeds in hun midden was. De dood is niet het einde! Als wij, de leerlingen van toen en de leerlingen van vandaag, hem blijven gedenken, als wij hem in ons midden persoonlijk aanwezig weten, dan leeft hij.

Een zichtbaar geloof

Dit geloof in de opstanding, in voortleven na de dood, in de persoonlijke ontmoeting met wie gestorven is – dit geloof kunnen wij vieren en beleven, straks, in de periode vanaf Pasen tot aan het Pinksterfeest en ook daarna. Het is een geloof, dat ons kan sterken, ook in ons eigen leven. Het is immers een geloof dat zichtbaar wordt: wanneer mensen in de kreukels toch de kracht vinden om uit hun ellende op te staan en nieuwe wegen te gaan. Dit geloof wordt zichtbaar: wanneer mensen hun onderlinge rancune overwinnen en tot verzoening komen. Het wordt zichtbaar: wanneer de barmhartigheid een grotere kracht blijkt te zijn dan het strikt vasthouden aan harde regels. Het wordt zichtbaar: wanneer mensen bereid zijn om ruimte te maken voor wie zoekt naar een veilig onderkomen, naar toekomst voor zijn kinderen, naar een plek waar hij zijn leven kan opbouwen in vrede.

Jezus heeft het ons voor-geleefd. Wij mogen (en kunnen!) het verder-leven.