zondag 31 januari 2016

Venster op andere toekomst

Overweging op de 4e zondag door het jaar (jaar C)

Lezingen: Jesaja 1,4-5.17-19; Lucas 4,21-30

Het begon allemaal zo goed. De voorbereidingen voor het feest zijn getroffen, de meeste gasten zijn gearriveerd. De stemming zit er goed in voor de vijftigste huwelijksverjaardag van Ad en Nellie. Maar tijdens het feest komt de mededeling dat tante Mirjam niet kan komen: met onduidelijke klachten is ze in het ziekenhuis opgenomen. Uitgerekend tante Mirjam, die altijd een gangmaker is op familiefeesten. Het feest zal niet worden afgebroken, maar de lol is er wel voor een groot stuk af.

De stemming slaat om, zomaar, ineens. Het verhaal uit het evangelie laat ons vandaag iets dergelijks zien. Na aanvankelijk een enorm enthousiasme over het optreden van Jezus in de synagoge slaat de stemming om. De Joden zijn woest en willen hem zelfs in een afgrond storten. Waar komt die plotselinge verandering vandaan? Ik moet een kleine omweg maken om dit te kunnen uitleggen.

Lucas heeft zijn evangelie geschreven zo'n vijftig jaar na de dood van Jezus. Het christendom had intussen meer aanhangers vanuit de heidenen dan vanuit de Joden. Dat zet kwaad bloed bij de Joden. Deze historische ontwikkeling plaatst Lucas terug in zijn verhaal over het leven van Jezus. Ook Jezus zelf wordt geconfronteerd met het probleem, dat zijn eigen volksgenoten niet op zijn blijde boodschap ingaan. En als hij dat constateert, dan spreekt hij vandaag woorden, die bij de Joden hard aankomen. Jezus noemt twee voorbeelden uit het Oude Testament. (a) Hongersnood en (b) melaatsheid hebben in Israël rampspoed en ellende gebracht. Toch zijn het juist de heidenen die gespaard worden. Een weduwe in het gebied van Sidon komt niet om van de honger, en een Syrische soldaat wordt gereinigd van melaatsheid. Dat zijn voorbeelden, die de Joden als een klap in het gezicht voelen.


Bejubeld en miskend

De gebeurtenis maakt duidelijk dat Jezus aan de ene kant wordt bejubeld, maar anderzijds ook miskend en verstoten door zijn eigen volk. Hij is een teken van tegenspraak: voor sommigen de hoeksteen, voor anderen een steen des aanstoots. Net zoals trouwens Jeremia, zo’n 600 jaar eerder. Hij wijst de leiders van Israël op hun verantwoordelijkheid voor mensen in de marge. In die tijd waren dat de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Vandaag zouden dat de daklozen zijn, de asielzoekers en de alleenstaande moeders die van een uitkering moeten rondkomen. Maar Jeremia voelt zich eigenlijk helemaal niet geroepen om die taak op zich te nemen. Hij vindt zichzelf te jong, te onervaren om het op te nemen tegen de machthebbers van zijn tijd. En toch kan hij niet zwijgen over het onrecht, dat hij om zich heen ziet. Wat hij ziet gebeuren, dat kan niet de bedoeling zijn geweest van God. Zo mogen mensen niet met elkaar omgaan. En uiteindelijk geeft hij zich gewonnen aan die innerlijke drang om zijn mond te roeren. Zijn overtuiging groeit tegen alle vertwijfeling in. Maar de overgave aan zijn opdracht geeft hem ook steun. Hij mag weten, dat God naast hem staat.

Tegenspraak

Teken zijn van tegenspraak: dat is niet iets, dat je zomaar komt aanwaaien. Je moet stevig in je schoenen staan. Zoals paus Franciscus, die ondanks fikse tegenwind toch een dynamiek op gang wil brengen door de barmhartigheid meer ruimte te geven in het leven van de kerk. Zo wil hij laten zien, dat de kerk wel degelijk iets te zeggen kan hebben aan mensen van deze tijd. En zo is hij het symbool van kerk als tegencultuur.

Maar niet alleen hij is iemand die daar voor staat. Ook gewone mensen uit ons eigen midden laten zien, dat de boodschap van het evangelie een andere kant uitwijst dan wat in onze tijd als norm geldt. Ook zij moeten nogal stevig in hun schoenen staan. Een zoon heeft de keuze gemaakt om zijn vader, die met veel hulp nog zelfstandig kan wonen, daarbij zo nodig dag en nacht te ondersteunen. Opname in een verzorgingstehuis zou zijn dood zijn, weet hij. Als het aan zijn broers en zussen zou liggen, was de vader daar al lang naar toe gegaan. Een vrouw heeft ervoor gekozen om haar baan gedeeltelijk op te zeggen, zodat ze zich beter kan inzetten voor de vele asielzoekers en vluchtelingen in haar dorp. Anderen lachen achter haar rug om dat besluit, maar voor haar is het een overtuigde keuze. Zo zijn ook deze mensen het symbool van een kerk als tegencultuur. Ze laten zien, dat in het leven andere dingen belangrijk zijn dan carrière en status, andere dingen dan de verborgen zucht naar macht of het strikt vasthouden aan regels en wetten.

Spiegel of venster?

Zo kun je, soms in heel gewone dingen, laten zien dat je een teken van tegenspraak kunt zijn. Soms moet je gewoon weigeren om mee te doen met de achteloze verdachtmaking van mensen. Soms moet je de vinger op de zere plek leggen, om te laten zien dat het ook anders kan. Natuurlijk zal niet iedereen je dat in dank afnemen. Daarom moet je tegelijk zoeken naar de kracht, jouw innerlijke kracht om die weg ook inderdaad te gaan. Misschien kunnen wij, als mensen die Jezus willen navolgen, de kracht vinden in de overtuiging, dat wij niet alleen maar een doffe weerspiegeling zijn van wat er zich in onze samenleving voordoet. Maar mogelijk kunnen wij juist als gelovigen, als kerkmensen een venster zijn dat uitzicht geeft op een andere manier van samenleven.

Geen spiegel, maar een venster: zo wordt een andere, betere toekomst zichtbaar: voor ons, voor alle mensen. En wellicht, dat dan de stemming weer omslaat naar de andere kant: enthousiast en vol zelfvertrouwen.