zondag 8 november 2015

Je laatste penning

Overweging op de 32e zondag door het jaar (jaar B)

Lezingen: 1 Koningen 17,10-16; Marcus 12, 38-44

Zo'n kleine vijftien jaar geleden kwamen in Nederland de eerste voedselbanken van de grond. Ze waren bedoeld om mensen te ondersteunen, die te weinig inkomsten hadden om voldoende voedsel te kopen voor zichzelf en hun kinderen. Sindsdien is het aantal voedselbanken in Nederland (en daarbuiten trouwens ook) explosief gegroeid. Deze enorme groei geeft aan, dat er een toenemende kloof is ontstaan tussen rijk en arm. Het is goed, dat er mensen zijn die een stukje van deze kloof proberen te overbruggen met initiatieven voor voedselhulp. Maar voor de mensen die van deze initiatieven afhankelijk zijn, is het vaak een beschamend gevoel om de hand te moeten ophouden. Zij moeten er maar op vertrouwen, dat anderen hen ondersteunen bij hun levensonderhoud. Ik weet eerlijk gezegd niet, of ik zelf zoveel vertrouwen zou kunnen opbrengen. De neiging om zoveel mogelijk zelf het initiatief in handen te houden is heel sterk aanwezig.

Wie goed doet, ...

Toch horen wij vandaag in de lezingen, dat leven vanuit vertrouwen uiteindelijk meer perspectief biedt. In het verhaal uit het boek van de Koningen hebben we geluisterd naar een voorval uit het leven van de profeet Elia. Er is een tijd van grote droogte in het koninkrijk, en veel mensen lijden honger. Elia moest vluchten voor koning Achab. Want hij beschuldigde de koning ervan niet te vertrouwen op Jahweh, maar op Baäl, de god van de Kanaänieten. Tijdens zijn vlucht ontmoet Elia bij de stadspoort een weduwe (in die tijd - zonder sociale zekerheid - toch al in een kwetsbare positie). Juist haar vraagt hij om water en brood. Ze heeft maar weinig, en toch is ze bereid om te delen met Elia. Ze vertrouwt op de toezegging van de profeet, dat ze ook in de toekomst voldoende brood en olie zal hebben. 'Wie goed doet, goed ontmoet,' moet de vrouw gedacht hebben. Ze leeft vanuit een fundamenteel vertrouwen, dat haar leven nooit volkomen uitzichtloos zal zijn.


Nog scherper zien we in het evangelie het contrast tussen krampachtig vasthouden aan eigen zekerheid en ongekunsteld leven in vertrouwen. Vlijmscherp stelt Jezus de schijnheiligheid van de Schriftgeleerden aan de orde. Het kwam wel voor in die tijd, dat de Schriftgeleerden als nevenfunctie een handeltje dreven of dat zij belang hadden bij een bedrijfje. 'Wie bij hen of hun bedrijf in het krijt kwam te staan diende dat met rente terug te betalen, ofschoon de joodse Wet volstrekt duidelijk is over het verbod op het vragen van rente. De weduwen hoorden in die dagen () tot de meest kwetsbare groepen. Als ze het niet konden redden, werden ze () gedwongen hun huis of grond als onderpand te geven. Zo kwamen ze in aanraking met de woekerpraktijken van ... ja zelfs van de Schriftgeleerden.'*

Verbonden

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk, dat Jezus de hypocriete houding van de schriftgeleerden aan de kaak stelt. En het is ook duidelijk naar wie zijn sympathie uitgaat: de weduwe, die immers alles gaf waar ze van leven moest. Ze is een vrouw die moet ploeteren om rond te komen, maar vanuit die ervaring voelt ze zich ook heel nauw verbonden met mensen die het nog slechter hebben. Dat is de reden waarom ze haar laatste penningen in de offerblok gooit. Kennelijk helpt de bittere ervaring van armoede  om daadwerkelijk verbonden en solidair te zijn met je lotgenoten. Anders gezegd: wie niets te verliezen heeft, die kan gemakkelijk nog iets over hebben voor een ander. En die kan ook het vertrouwen opbrengen, dat het uiteindelijk toch goed zal komen. Nog anders gezegd: werkelijke lots-verbondenheid kan een uiting zijn van diepe Gods-verbondenheid.

Want in die verbondenheid, in die daadwerkelijke en doorleefde solidariteit komt tot uitdrukking, dat je weet hoe belangrijk het is te durven vertrouwen op anderen. De weduwe van Sarefat vertrouwt op het woord van God, dat klinkt uit de mond van de profeet: het meel en de olie zullen niet op raken. Het echte wonder is niet de wonderlijke vermenigvuldiging van meel en olie, maar de bereidheid tot delen. Haar liefde raakt niet uitgeput, en dan komt er nieuw leven, ontstaan er nieuwe kansen. Zo ook de weduwe in het evangelie. Zij vertrouwt erop, dat delen niet armer maakt, maar juist rijker. In alle eenvoud geven deze beide weduwen zichzelf, want ze vertrouwen zich toe aan de zorg van God voor zijn mensen.

Je laatste penning

En daarmee confronteren ze ons met de vraag, op wie wij ons vertrouwen stellen. Houden we zelf alle touwtjes in handen, of durven we ons over te geven aan Gods zorg voor ons? De laatste penning achter de hand houden of weggeven?

Je laatste penningen weggeven: dat kan op verschillende manieren gebeuren. Natuurlijk kun je besluiten om een bijvoorbeeld WarChild of allerlei andere goede doelen te ondersteunen. Maar er zijn ook andere manieren. De zorg om je zieke buurvrouw kan bijvoorbeeld heel veel van je energie vragen. En als ik kijk naar de enorme hoeveelheid vrijwilligerswerk die mensen verzetten in clubs, buurthuizen, zorginstellingen en parochies, dan is ook dat een manier van jezelf iets weg te geven. Dus op dit punt ben ik helemaal niet zo pessimistisch. Maar de vraag uit het evangelie blijft natuurlijk overeind: hoe sterk is jouw overtuiging dat delen je leven niet verarmt, maar verrijkt?

---
J. Groot en H. Sechterberger, Schriftinstuif. Een werkboek voor groepen bij Schriftteksten van de zondagen - jaar B, Baarn (Gooi & Sticht), 1990, 278.