zondag 2 augustus 2015

Eerst geloven, dan zien

Overweging op de 18e zondag door het jaar (jaar B)

Lezingen: Exodus 16,2-4.12-15; Johannes 6,24-35

Een mens zwoegt wat af in zijn leven. Vele uren kost het om ons werk te doen: in het bedrijf, thuis of op school. En dat allemaal met de bedoeling om brood op de plank te krijgen, een huis te bekostigen om in te wonen, kleren te kunnen aantrekken die ons lichaam beschermen en verder alle dingen te kopen die ons leven aangenamer maken. Maar het voldoen aan al deze materiële behoeften is geen garantie, dat we ook gelukkig zijn in ons leven. Het verschil tussen een aangenaam leven en een gelukkig leven wordt bepaald door hoe wij omgaan met de volgorde van zien en geloven.

Zien wat nog niet is

Over die volgorde gaan ook de verhalen, die wij vandaag gehoord hebben in de Schrift. In de eerste lezing hebben wij gehoord over het volk Israël, gevlucht uit het slavenbestaan in Egypte en nu dolend door de barre, onherbergzame woestijn. De mensen morren tegen Mozes, want ze hebben honger. Ook al was er onderdrukking in Egypte, er was wel brood om te eten. Geen vrijheid dus, maar wel brood. Maar Mozes vraagt de Israëlieten om meer vertrouwen te hebben in de voorzienigheid van God. God biedt vrijheid en brood. Dat vraagt echter wel vertrouwen van de Israëlieten, ze moeten willen geloven in Gods leidende hand. Je moet willen zien wat er nog niet is, maar wat wel komen kan. Dus niet: eerst zien en dan geloven. Maar juist het omgekeerde: eerst geloven en dan zien. Vertrouw nou maar dat het goed komt, en dan zie je het ook gebeuren. God zal voorzien in de behoeften van de Israëlieten.


De tastbare tekens van Gods voorzienigheid zijn de kwartels en het manna. Overigens zijn kwartels-op-trektocht, wanneer ze neerstrijken op het Sinaï-schiereiland – ook vandaag de dag nog – een makkelijke prooi. En manna is een uitscheiding van insecten die op de  tamariskboom leven; zodra het 's nachts afkoelt, wordt het goedje hard en is het een zoete lekkernij. Rondtrekkende herders doen er zich (ook tegenwoordig nog) graag tegoed aan. Maar in het verhaal gaat het niet zozeer om de feitelijke voedselvoorziening ; het gaat veel meer om de manier waarop de Israëlieten daarmee omgaan. God vraagt immers, dat zij niet méér verzamelen dan nodig is voor één dag. Eigenlijk wordt daarmee gezegd, dat de Israëlieten het vertrouwen moeten willen opbrengen in Gods voorzienigheid: ook morgen zal er weer voedsel zijn om de honger te stillen. En als je het gelooft, dan zul je het ook zien gebeuren.

Geestelijk voedsel

Datzelfde vertrouwen vraagt ook Jezus in het verhaal uit het evangelie. Hij is zich goed ervan bewust dat de mensen naar hem toekomen omwille van het brood dat hij hen te eten gaf. Vijf broden en twee vissen waren voldoende om vijfduizend mensen te voeden, zo hebben we vorige zondag kunnen  horen. Jezus zou liever zien, dat de mensen om een andere reden naar hem toe kwamen. Niet het voedsel dat vergaat zou de reden moeten zijn, waarom de mensen hem zoeken, maar het voedsel dat blijvend de honger stilt. Natuurlijk hebben wij mensen gewoon fysiek voedsel nodig om onze buik te kunnen vullen. Maar Jezus wil een stap verder gaan. Hij wijst op het geestelijke voedsel, dat misschien nog wel belangrijker is, omdat het ons geloof en ons hart zal voeden.

Opvallend in het verhaal is, dat de mensen toch weer een zichtbaar teken willen hebben, voordat ze bereid zijn Jezus te vertrouwen. Eerst zien dus, en dan pas geloven. Maar Jezus vraagt juist de andere zienswijze: begin nou maar met te geloven, dan zie je het ook echt gebeuren. Geloof nou maar, dat ik het brood voor jullie zal zijn, dat blijvend de honger stilt; het brood dat het geestelijke voedsel is, waarmee jullie hart en jullie geloof gevoed worden. 'Wie tot mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.'

Eerst geloven, dan zien

Het perspectief, dat Jezus hiermee schetst, is dat het geloof in hem de vervulling brengt van de diepste menselijke verlangens en behoeften. En die behoeften zijn wellicht niet zozeer van fysieke aard, maar van een geestelijke orde. Want waar mensen ten diepste naar verlangen, dat is een beetje vrede in hun leven. Wij verlangen naar wat vriendschap en harmonie, naar een beetje oprechte zorg om elkaar. Wij hopen op een nieuwe kans, als we de plank hebben misgeslagen. En op de barmhartigheid van mensen om ons heen, als we op een of andere manier in de kreukels terecht komen. We zouden zo graag ook aan anderen een stukje barmhartigheid willen bewijzen, door onze eigen zorgen even opzij te zetten. En een paar onsjes genegenheid en hartelijkheid per dag, die zouden al wonderen doen in de wereld waarin wij leven.

Dat is het geestelijke voedsel, dat Jezus ons aanbiedt. Het voedsel, dat hij zelf voor ons wil zijn. En dat voedsel mogen wij delen met elkaar. En als we er nou maar in willen geloven, dan zul je zien dat het ook werkelijkheid kan worden. Als we er maar op willen vertrouwen, dat dit voedsel het aanzien van de wereld kan vernieuwen, dan zal het ook waarheid worden. Als we bereid zijn om de zaken om te keren (eerst geloven dus, en dan volgt het zien ook wel) – dan wordt ons leven werkelijk tot iets moois, dat ook echt het delen waard is.