zondag 10 mei 2015

Binnenstaanders

Overweging op de 6e zondag van Pasen (jaar B)

Lezingen: Handelingen 10,25v.34v.44-48; Johannes 15,9-17

Het ritme van onze dagen wordt vaak bepaald, doordat we leven van de ene gebeurtenis naar de andere, van het ene hoogtepunt naar het volgende. Van je verjaardag in januari leef je toe naar het bedrijfsuitje in februari, en vandaar zie je weer uit naar de korte vakantie rond de Paasdagen. Vervolgens bereid je je voor op de verjaardag van je moeder in mei en dan kijk je alweer vooruit naar de zomervakantie. Op die manier brengen de hoogtepunten een zeker ritme aan in ons leven.

Zo wordt in de kerk het ritme van het jaar bepaald door de drie feesten van Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Pasen is het al geweest, Pinksteren moet nog komen. Vandaag nemen we alvast een aanloopje naar Pinksteren toe. Het verhaal uit de Handelingen van de Apostelen is een verhaal waarin blijdschap en hoop doorklinken. De romeinse legerofficier Cornelius is de eerste, die als niet-jood tot het christendom overgaat.

Preludium op Pinksteren

Het verhaal over de bekering van Cornelius klinkt vandaag als een soort preludium, een voorspel op de grote gebeurtenis van Pinksteren. Vandaag is er een toegetredene tot het christendom, maar met Pinksteren wordt verteld dat er drieduizend mensen zich laten dopen. En ook vandaag al hebben we gehoord, hoe de heilige Geest (net als straks met Pinksteren) neerdaalt op allen die naar de toespraak van Petrus luisterden.


Dat alles betekent niet alleen een ommekeer in het leven van Cornelius, maar ook in de inzichten van de leerlingen van Jezus. Petrus immers vertelt, dat hij nu pas goed beseft, dat er bij God geen onderscheid des persoons is. Niet alleen de joden kunnen volgelingen worden van Jezus Christus, zoals hij eerst dacht. Maar alle mensen – uit welk volk of welke streek ze ook komen –  horen erbij. Het betekent dus, dat de kring van de gelovigen wordt verbreed, de enge grenzen worden doorbroken.

Binnenstaanders

Ook in het evangelie wordt een zekere grens doorbroken. Jezus zegt tegen zijn leerlingen, dat hij hen geen dienaars meer noemt, maar vrienden. Dat is een wezenlijk verschil. Een dienaar voert simpelweg de opdrachten van zijn meester uit. Maar een vriend is juist nauw betrokken bij het waarom van de zaak. Een vriend voelt mee en overlegt mee. Een dienaar blijft altijd een beetje een buitenstaander, maar een vriend zou je een 'binnenstaander' kunnen noemen. En daarmee breekt Jezus de grenzen tussen hemzelf en zijn leerlingen helemaal af. Vrienden immers hebben geen geheimen voor elkaar.

Jezus maakt dus zijn leerlingen tot 'binnenstaanders', hij maakt hen deelgenoot: niet alleen van het diepste dat Hem ter harte gaat, maar ook van de bron van waaruit Hij leeft. Die levensbron is zijn verbondenheid met de Vader. Die verbondenheid tussen God en Jezus moet – met dezelfde intensiteit – ook de verbondenheid worden tussen God en mensen. Deze verbondenheid is erop gericht, zegt Jezus, dat jullie vreugde volkomen mag worden. M.a.w. dat jullie vrije mensen kunnen zijn – vrij om het goede te doen, vrij om grenzen te doorbreken.

Op tocht gaan

Als vrienden van Jezus mogen de 'binnenstaanders' zich dus niet opsluiten in hun eigen kleine kring. Jezus geeft zijn vrienden immers ook een taak. Zij moeten 'op tocht gaan en vruchten voortbrengen die blijvend zullen zijn.' Zij moeten zich dus gaan inzetten voor de zaak van God. Zij moeten meewerken aan een wereld waarin rechtvaardigheid en verbroedering het zullen winnen van onrecht en onvrede.

Vrienden zijn van Jezus, 'binnenstaanders' zijn in het geheim van God: het betekent dat je zo leeft, dat niemand zich buitengesloten voelt. Begeesterd worden door de liefde van Jezus, en zo grenzen doorbreken en muren slopen: daar komt het op aan. Ook vandaag, voor ons. Hoe kunnen wij de kring verbreden, en mensen in ons midden opnemen, die buitengesloten worden? Hoe kunnen wij mensen een plaats geven, die dreigen uit de boot te vallen of de kans lopen eruit geschopt te worden?

Signalen

Er zijn genoeg signalen in onze dagen, die erop wijzen dat mensen gediscrimineerd worden om hun taal of huidskleur, hun afkomst of overtuiging. Enkele weken geleden was er een gênante discussie in de politiek over het aanbieden van een bed-bad-brood-opvang voor asielzoekers die zijn uitgeprocedeerd. Die discussie was nogal beschamend, omdat het niet leek te gaan over de asielzoeker. Het ging over de vraag hoe de regeringspartijen konden voorkomen, dat ze hun politieke gezicht zouden verliezen. Heel de discussie geeft aan dat we het niet gemakkelijk vinden om anderen een plek te geven in ons midden. Maar ook sommige gesprekken bij de borrel tijdens een verjaardag of bepaalde kleinerende moppen over buitenlanders geven aan, dat het vaak meer voor de hand ligt om anderen uit te sluiten i.p.v. hen op te nemen. Moeten we daarin berusten? Moeten we het gif van discriminatie en rassenhaat zijn gang maar laten gaan? Moeten we opnieuw muren optrekken tussen allochtonen en autochtone mensen?

Het antwoord van Petrus laat aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Bij God bestaat er geen aanzien des persoons.' Dat betekent: iedereen moet erbij kunnen horen. Iedereen moet de kans krijgen iets van zijn leven te maken, de kans krijgen om iets bij te dragen aan de samenleving. Alleen als wij daaraan meewerken zijn wij 'binnenstaanders' en geven wij ook anderen de kans om dat te worden.