zondag 15 februari 2015

Wat niet kan, kan tóch

Overweging op de 6e zondag door het jaar (jaar B)

Lezingen: Leviticus 13,1-2.45-46; Marcus 1,40-45

Vijf jaar geleden is in Zeeland onderzoek gedaan naar de mate waarin mensen zich eenzaam voelen. Eenzaamheid komt bij volwassen voor in alle leeftijdscategorieën. Tot 64 jaar voelt 43% van de Zeeuwen zich matig tot ernstig eenzaam. Vanaf 65 jaar ligt dat percentage nog iets hoger: 47%.

Eenzaamheid kan verschillende vormen aannemen. Je kunt een klein, te klein, sociaal netwerk hebben. Dan hebben we het over sociale eenzaamheid. Maar je kunt ook een gebrek hebben aan voldoende intieme contacten. In dat geval spreken we over emotionele eenzaamheid. Soms vallen die twee vormen van eenzaamheid samen. Maar niet altijd.

Wie zich eenzaam voelt, heeft in feite een verlangen naar meer of naar betere relaties met anderen. Zij of hij voelt zich in een isolement, voelt zich meer of minder buitengesloten van de gemeenschap.


Herstel

De melaatse in het evangelie snakt naar niet alleen naar genezing, maar ook naar herstel van zijn contacten met de gemeenschap. Zijn verlangen naar het doorbreken van zijn isolement weerspiegelt niet alleen sociale eenzaamheid, maar ook het emotionele alleen-staan. In de eerste lezing werd verteld, hoe mensen met een huidziekte apart moeten wonen en buiten het kamp blijven. In een tijd, waarin melaatsheid nog niet te genezen was, hoorden deze zieken tot de onaanraakbaren, vanwege het grote risico van besmetting.

Maar de smeekbede van de melaatse is bij Jezus niet aan dovemansoren gericht. Jezus laat zijn hart spreken, hij wordt – zo staat er – door medelijden bewogen. Hij ziet de melaatse niet alleen als een ziektebeeld, maar als iemand die in een sociaal en emotioneel isolement terecht is gekomen. En dan doet Jezus, wat niet mag en niet kan: hij raakt de onaanraakbare man aan. Wat niet kan, kan toch. Dat laat Jezus zien. Door de aanraking doorbreekt hij het taboe. Hij herstelt – heel fysiek – het contact tussen de man en de mensen die hem omringen. Het lichamelijke herstel van de melaatse is tegelijk het herstel van zijn plaats in de gemeenschap.

Grenzen

Met deze genezing gaat Jezus in tegen de religieuze en maatschappelijke conventies van zijn tijd. Hij zoekt de grenzen ervan op. Hij doet, wat niemand zou doen. Hij doet het, omdat hij ervan overtuigd is, dat ook deze melaatse, deze onaanraakbare man, in Gods ogen meer is dan alleen zijn gevaarlijke ziekte. Vanuit zijn heilige overtuiging overschrijdt Jezus de grens die mensen wel trekken, maar God niet. Maar tegelijkertijd houdt Jezus ook rekening met de wetten van de samenleving. Na zijn genezing moet de melaatse zich volgens de religieuze voorschriften laten zien aan de priester; en daarna het offer brengen zoals dat in de wet van Mozes is vastgelegd. Aan de ene kant doorbreekt Jezus dus een taboe. Maar aan de andere kant geeft hij de samenleving de kans om de onaanraakbare man weer toe te laten in de gemeenschap. Hij geeft de gemeenschap de kans om te leren zien dat wat niet mag of kan, toch kan.

Uit onze eigen ervaring kennen wij ook zulke situaties. Als je in gesprek bent met iemand, die heel verdrietig is, dan heb je soms het gevoel dat woorden tekort schieten. En wat doe je dan? Je legt je hand op de arm of op de schouder van de ander. Je raakt haar aan, je laat letterlijk voelen dat je bij hem aanwezig bent. Het fysieke gebaar zegt meer dan woorden. Wat een woord niet kan, kan toch: door de aanraking. Want deze lichamelijke nabijheid geeft troost. De aanraking doorbreekt het taboe van de sprakeloosheid. De aanraking herstelt de gemeenschap tussen wie troost vraagt en wie troost geeft.

Wat niet kan, kan toch

Door de fysieke aanraking maken mensen contact. Dat gebeurt ook bij een handdruk: als kennismaking, als welkom of als afscheid. De handdruk zegt: wij hebben iets met elkaar. Waar mensen elkaar de hand drukken, wordt de eenzaamheid doorbroken, worden misschien plannen opgezet, worden afspraken gemaakt of worden wellicht ruzies bijgelegd. De handdruk is een uiting van verbondenheid, van samen ergens voor staan, van gezamenlijk optrekken. De handdruk opent zelfs mogelijkheden, die misschien nog in de taboesfeer liggen. In de handdruk mag zichtbaar worden, dat ook wat niet kan, toch kan.

Daarom zou ik het ontzettend fijn vinden, als wij straks – bij de vredeswens – elkaar van harte de hand schudden. En dat dan niemand uitgezonderd wordt, niemand alleen blijft, niemand buitengesloten zal zijn. Misschien doorbreken we daarmee wel een soort van Zeeuws taboe. Want we doen dat niet allemaal even gemakkelijk: elkaar de vrede wensen in de kerk. Maar wellicht kunnen we, om te beginnen vandaag, aan elkaar laten zien dat wat niet kan, toch kan. En dat wij zo laten zien, dat we het spoor van Jezus willen volgen. Dat wij elkaar durven aanraken, elkaar in de ogen kijken en van harte zeggen: vrede voor jou.