zondag 18 januari 2015

Bij de bron

Overweging in de Gebedsweek voor de Eenheid

Lezingen: Genesis 24,43-46; Johannes 4,4-26

Dorst is een signaal van ons lichaam: de vochthuishouding is niet op orde. Je moet iets drinken. Als je aan die behoefte niet voldoet, of noodgedwongen langer tijd niet voldoet, dan gaat het mis. Water vormt de meest eenvoudige, maar ook de meest essentiële bevrediging van deze levensbehoefte. Dorst doet ons verlangen, zelfs intens verlangen naar water, dat ons leven beschermen kan en de voortgang ervan kan waarborgen.

Wandtapijt in het klooster van de
Benedictinessen in Oosterhout
Dorst lessen

In onze tijd is het gemakkelijk om onze dorst te lessen: we houden een glas onder de kraan, vullen het met helder, koel water en voelen ons verfrist na het drinken ervan. In oude tijden – en op sommige plekken ter wereld nu nog steeds – is het lastiger om aan drinkwater te komen. Soms moeten mensen enkele uren te voet een route afleggen, voordat ze aan een waterput komen. Een put of een bron is in zulke situaties vaak ook een plek van ontmoeting. Mensen komen er samen om de laatste nieuwtjes door te nemen, misschien ook de dorpsroddels en wellicht afspraken te maken over te ondernemen activiteiten.

Het is op zo'n plek, dat Jezus en de Samaritaanse vrouw elkaar ontmoeten. Maar ze zijn slechts met z'n tweeën; het is op het heetste uur van de dag, waarop niemand het in zijn hoofd haalt naar de bron te lopen. De Samaritaanse heeft misschien heel bewust dit uur gekozen, omdat ze de Joodse vrouwen niet onder ogen wil komen en hun roddelpraat over haar moet aanhoren. De onderlinge verhoudingen zijn immers niet om over naar huis te schrijven. Maar Jezus, als Joodse man, gaat wel het gesprek aan.

Wisselwerking

En dan ontstaat er een vreemde wisselwerking van vragen en aanbieden tussen de vrouw en Jezus, tussen Jezus en de vrouw. Heel geleidelijk, maar onontkoombaar worden de rollen omgewisseld: de vrager wordt gever, de aanbieder wordt ontvanger. En niet alleen de personages in het verhaal wisselen van rol, ook de betekenis van het water verandert. Het gewone, dagelijkse water, dat de dorst slechts lest voor even, wordt tot water dat levend is en dorstlessend voor altijd. En daarin wordt ook de betekenis kenbaar van degene die het levengevende water aanbiedt: hij is de Messias, de gezalfde van God.

En wij, zoals wij hier samen zijn, mogen hem – de Messias – herkennen in het water, dat ons verbindt: het water van onze doop. Ook al zijn wij mensen met een verschillende achtergrond, met andere overtuigingen, met heel diverse karakters, toch mogen wij ons met elkaar verbonden weten in het symbool van het water. Dat hebben wij uitgedrukt in het leeg gieten van verschillende kruiken en kannen (want zo verschillend zijn wij dus) in de ene kom, die iets van Gods aanwezigheid tot uitdrukking wil brengen. Het is zijn presentie in dit uur, die ons een maakt. Hij brengt ons bijeen, voegt ons samen, doet ons verbondenheid ervaren.

Op pad

Want wij zijn vanmiddag vanuit verschillende huizen, verschillende kerken op pad gegaan, om hier bijeen te komen. Wij hebben – letterlijk – een route afgelegd om deze plek te bereiken, zoals de Samaritaanse op pad moest gaan om de bron te bereiken. Wij hebben ervoor gekozen om op weg te gaan, zodat wij hier konden samenkomen om te bidden en te zingen, om te luisteren naar Gods woord en ons te laten inspireren. Het op weg gaan betekent ook altijd: een inspanning leveren. Je moet je eigen plek verlaten om het doel van je reis te bereiken. En als wij onze verbondenheid in het geloof willen nastreven, dan moeten wij ook de inspanning leveren om elkaar te verstaan en te begrijpen. Dan moeten wij niet allereerst ons eigen antwoord gereed hebben, maar bereid zijn om te luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. Dan moeten we proberen open te staan voor wat in andermans overtuiging essentieel is.

Dat zijn natuurlijk mooie woorden, maar de praktijk is vaak weerbarstiger. Want lukt het ons bijvoorbeeld om de essentie te ontdekken van wat de uitgevers van Charlie Hebdo voor waar willen houden? Lukt het ons om recht te doen aan de levensovertuiging van onze moslimbroeders- en zusters? Zijn wij in staat om respect te hebben – echt respect – voor onze politieke of ideologische tegenstanders? Kunnen wij doordringen tot de werkelijke betekenis van de levenswijzen van mensen die wonen in wagens, of die lid zijn van een motorclub? Kunnen wij een verbinding leggen met jonge mensen, die vaak een andere manier van geloofsbeleving ontwikkelen, of met alleenstaande ouders, die alle moeite moeten doen om financieel het hoofd boven water te houden?

Bij de bron

De eenheid, waar wij vandaag om bidden, komt tot stand waar mensen werkelijk met elkaar verbonden zijn, waar solidariteit geen loze kreet is, waar respect en wederzijds vertrouwen meer zijn dan alleen maar mooie gedachten. En nogmaals: dat vraagt om inspanningen, dat is een weg die afgelegd moet worden, dat betekent ruimte maken voor opvattingen die afwijken van de onze.

Maar juist daarom is het ook noodzakelijk, dat wij in dit uur (en vaker nog op andere momenten) bidden om eenheid. Bidden om verbondenheid, bidden om Gods aanwezigheid in ons leven en om zijn presentie nu, hier in ons midden, zodat wij de inspiratie en de kracht ontvangen om die opdracht van verbondenheid na te streven. Bidden om verbondenheid, zodat ons gebed de bron kan worden waar wij zoeken naar eenheid en gezamenlijkheid. Want ons dorsten naar eenheid, ons verlangen naar gezamenlijkheid, kan slechts vervuld worden als wij ons laven aan het levengevende water, dat Jezus, de Messias, ons aanbiedt. Wanneer wij leven vanuit het geloof, dat hij de gezondene van God is. Wanneer wij hem erkennen als degene die met ons spreekt.