zondag 23 november 2014

Het verschil maken

Overweging bij het hoogfeest van Christus, Koning van het Heelal (jaar A)

Lezingen: Ezechiël 34,11-12.15-17; Matteüs 25,31-46

Bezorgd om de zorg. Dat is wat veel Nederlanders ervaren. Behoorlijk wat mensen, die deels of geheel afhankelijk zijn van de zorg die anderen hen kunnen geven, verkeren in grote onzekerheid over ontwikkelingen in de nabije toekomst. De landelijke overheid treedt steeds meer terug, en de regelingen omtrent de zorg worden per 1 januari neergelegd bij de gemeenten. Maar die zijn daar vaak nog niet klaar voor. Er wordt bezuinigd op de thuiszorg, de jeugdzorg, het maatschappelijke werk, de medische zorg, en ook de cultuursector lijkt er niet aan te ontkomen. Om dat hele pakket aan bezuinigingen te kunnen verkopen, is de term 'participatiesamenleving' bedacht. We moeten meer voor elkaar gaan zorgen, en kunnen minder beroep doen op regelingen van de overheid.


Goede papieren

Net als veel andere mensen heb ik grote moeite met de snelheid, waarmee deze veranderingen tot stand moeten komen. Niet alleen de kwantiteit, maar vooral ook de kwaliteit van de zorg gaat op deze manier met sprongen achteruit. Tegelijkertijd zullen we ons moeten realiseren, dat het nemen van verantwoordelijkheid voor elkaar een gedachte is, die vanuit christelijk standpunt hele goede papieren heeft. Als christenen kunnen we het idee van de participatiesamenleving niet zonder meer aan de kant schuiven. De lezingen van vandaag laten daarover geen enkele twijfel bestaan.


De profeet Ezechiël tekent heftig protest aan tegen de manier, waarop de religieuze en politieke leiders in die tijd hun taak opvatten. De leiders hebben hun positie misbruikt om er zelf beter van te worden, en ze hebben de gewone man aan zijn lot overgelaten. Daardoor zijn – Ezechiël gebruikt het beeld van de schapen en de herder om zijn punt te maken – de schapen verstrooid geraakt, worden ze niet goed verzorgd, dwalen ze als verloren rond. En de profeet benadrukt, dat God – in tegenstelling tot de leiders zonder verantwoordelijkheidsgevoel – wel goed zal zorgen voor zijn schapen. Daar zit dus ook de oproep achter aan de politici van toen – en ook van nu – om verantwoordelijk te willen zijn voor wie afhankelijk is van de zorg van anderen.

Beslissend

Met de beeldspraak van schapen en bokken horen we ook Jezus een dringende oproep doen om verantwoordelijk te willen zijn voor elkaar. Deze passage uit het Matteüsevangelie is vaak aangeduid als de scene, waarin het laatste oordeel wordt uitgesproken. Je krijgt de indruk, dat het zich afspeelt in de toekomst, want de woorden 'zal' en 'zullen' worden vaak gebruikt in dit verhaal. Maar we moeten ons niet laten misleiden. Want het laatste, het uiteindelijke oordeel is eigenlijk niets anders dan een beslissend oordeel. En die beslissing wordt niet dan genomen, maar nu al, namelijk door wat je feitelijk en concreet doet voor ieder die om jouw hulp vraagt. Als iemand appelleert aan jouw verantwoordelijkheid, dan kun je dat niet uitstellen. Wachten tot de omstandigheden beter zijn, of allerlei andere smoezen: ze doen er niet toe. De vraag wordt nu gesteld, nu moet het gebeuren.

Het komt erop aan, dat wij als christenen werk maken van barmhartigheid en gerechtigheid. Barmhartigheid, dat is: je laten raken – door de nood van je medemens. Barmhartigheid is: de onuitgesproken vraag zien in de ogen van een kind – dat vraagt om jouw medeleven. Barmhartigheid is: de bereidheid hebben om je eigen plannen te laten varen – omdat de sores van een ander nu belangrijker zijn. En gerechtigheid, dat is: serieus nemen dat de ander als mens in zijn waarde kan blijven. Gerechtigheid is: de ander de kans geven, dat hij tot zijn recht kan komen – ook al is dat misschien op een andere wijze dan waar jij zelf voor zou kiezen. Gerechtigheid is: het recht van de ander erkennen als minstens gelijkwaardig aan je eigen recht.

Het verschil maken

Werk maken van barmhartigheid en gerechtigheid is geen vanzelfsprekende zaak. De wereld waarin wij leven, vaart een andere koers. Maar juist wij als christenen, worden opgeroepen om te laten zien, dat het ertoe doet, als gerechtigheid en barmhartigheid ruimte krijgen in onze samenleving. Wij worden opgeroepen om ons te onderscheiden door ons – tegen de stroom in – te bekommeren om de noden en behoeften van anderen. Wij worden uitgedaagd om het verschil te maken.

Tegen de stroom in gaan: dat vraagt om een grote innerlijke kracht en om een lange adem. Je moet stevig op je benen staan. Maar die innerlijke kracht, die mogen wij vinden juist in ons geloof, in ons vertrouwen op de God, die als een goede herder wil zorgen voor het vermiste, het verdwaalde, het gewonde, het vermoeide schaap. Hij is de God die barmhartigheid en gerechtigheid hoog in het vaandel heeft staan. Hij is de God die daar werk van maakt. Hij geeft ons de noodzakelijke innerlijke kracht. De kracht om het verschil te maken.