zaterdag 4 oktober 2014

Over de meetbaarheid van het goed doen...

We leven in een tijdsgewricht, waarin alles gemeten kan worden. Allerlei getallen vliegen ons om de oren: tweets per seconde, het aantal minuten dat door de thuiszorg besteed mag worden aan een douchebeurt, de recordopbrengst of juist de teleurstellende resultaten van een goededoelenloterij, de snelheid waarmee elementaire deeltjes tot een hoger energieniveau gebracht kunnen worden. Met al die getallen hebben we, zo wordt aangenomen, controle over de werkelijkheid. Meten is weten.

Zo worden ook criteria opgesteld om te bepalen of organisaties en instellingen voldoen aan de eisen
van de ANBI-status. Het moet immers wel duidelijk zijn, dat een Algemeen Nut Beogende Instelling inderdaad haar gelden verantwoord vergaart en beheert. De publieke verontwaardiging over directieleden van dergelijke instellingen, die op oneigenlijke wijze hun inkomen wensen te vermeerderen, is groot en terecht. Dit soort on-praktijken is niet alleen schadelijk voor het imago van de betreffende instelling, maar ook voor het banksaldo dat uiteindelijk ten goede moet komen aan het beoogde doel.



Het geven aan goede doelen, of – meer in het algemeen – het doen van het goede, wordt zo gekoppeld aan criteria, die moeten voorkomen dat de spreekwoordelijke strijkstok een belemmering vormt voor het bereiken van de doelstellingen. Goed doen moet immers verantwoord zijn, zo vindt menigeen. Het moet effect hebben. Liefst zichtbaar en meetbaar. Want als het doen van het goede niets 'oplevert', dan kun je het beter achterwege laten.

Ik vrees echter, dat vanuit deze optiek de 'efficiëntie' van het goed-doen een oneigenlijk criterium wordt ter bepaling van het wel of niet ondersteunen van de goede werken. Oneigenlijk, omdat het effect van filantropische inzet of christelijke naastenliefde niet altijd gemeten kan worden. En zelfs niet altijd gemeten moet worden. Het doen van het goede is niet allereerst goed omwille van wat het oplevert. Het doen van het goede is primair goed omwille van zichzelf. De parabel van de barmhartige Samaritaan vertelt ons niets over de efficiëntie van zijn handelen. De Samaritaan doet wat gedaan moet worden, omdat het gedaan moet worden. En nergens anders voor.

En zo zijn er in onze samenleving ook talloze vrijwilligers, mantelzorgers en onzichtbare Samaritanen en Samaritaansen, die doen wat gedaan moet worden. Zonder te vragen wat het effect is. Zonder te kijken of 'de wereld' daardoor beter wordt. Zonder te meten wat hun inzet oplevert. Zij zetten zich in, zij doen het goede, zij zijn niet uit op erkenning. Natuurlijk, dat laatste is mooi meegenomen. Maar het is niet de opzet van hun inspanningen. Zij doen (met vallen en opstaan soms, maar in alle oprechtheid) gewoon het goede – simpel omdat het goede gedaan moet worden.

Sommige mensen zullen deze opvatting als naïef bestempelen. In zekere zin is ze dat ook, maar dan in de betekenis van een herwonnen naïviteit. Het is een onbevangen kijk op wat noodzakelijk is, die de illusie van uitsluitend het meetbare goed-doen doorziet.

Deze bijdrage werd eerder gepubliceerd op het Weblog Monnikenwerk