zondag 24 augustus 2014

Betrokken zijn. Maar waarop?

De manier waarop je kijkt naar de wereld waarin je leeft, is voor een groot deel afhankelijk van de positie die je op enig moment hebt. Toen ik woonde in Kwadendamme was dit dorp het centrum van waaruit ik afstanden berekende naar mijn bestemming. Nu ik in Kapelle woon, ligt daar het middelpunt van mijn leef- en belevingswereld. Ook de plek die je inneemt in de samenleving is bepalend voor je wijze van waarnemen. Een ondernemer heeft waarschijnlijk een andere opvatting van hoe een stad toegankelijk moet zijn dan een deskundige op het gebied van verkeersveiligheid. Een fotograaf of een kunstschilder weet heel goed, dat het standpunt van de waarneming in grote mate bepalend is voor de wijze waarop het afgebeelde object wordt gezien en weergegeven.


Diskwalificatie

Zo komt het nogal eens voor, dat je mensen die de kerk erg ter harte gaat, hoort spreken over randkerkelijke of buitenkerkelijke mensen. Wie zulke aanduidingen gebruikt, heeft - vanuit eigen perspectief gezien - natuurlijk gelijk. Maar mij het stoort enigszins, dat hij daarmee zichzelf in het centrum van zijn denkwereld plaatst. Menselijk gezien heel begrijpelijk, maar vanuit evangelisch oogpunt geheel niet terecht. Om het scherp te stellen: ik vind de aanduiding 'randkerkelijk' eigenlijk een diskwalificatie.



Natuurlijk zie ik de kerk als een belangrijke drager van de evangelische boodschap. Maar dat betekent niet, dat alleen in de kerk het heil voor de wereld te vinden is. Eerder wil ik het 'ondersteboven' zien: in de wereld is het heil voor de kerk te vinden. Het getuigt van evangelische betrokkenheid bij de noden van de wereld, wanneer vanuit de kerk en door de mensen die haar ter harte gaan, een beweging op gang wordt gebracht naar de wereld toe. Juist in en voor de wereld heeft de kerk een taak te vervullen: daar kan, nee: daar moet zij het Lichaam van Christus zijn. Ten behoeve van de wereld dus en van de mensen die haar bewonen. En niet primair ten behoeve van zichzelf.

Bescheiden

Het voortbestaan van de kerk heeft niet ten doel dat zijzelf, maar dat het evangelie voortgang kan vinden. Een essentiĆ«le vraag daarbij is dus, of het haar lukt om zichzelf te zien als instrument van het heil dat God aan alle mensen wil bieden. Als mensen van de kerk hebben wij het heil niet in bezit, maar zijn slechts het gereedschap voor het doorgeven daarvan. Dat vraagt derhalve om een vorm van bescheidenheid, die de kerk als instituut - en ook sommige van haar vertegenwoordigers - in de geschiedenis niet altijd hebben vertoond. Die bescheiden plaats betekent, dat de kerkgemeenschap niet zichzelf als centrum kan beschouwen van waaruit anderen beoordeeld kunnen worden op hun mate van betrokkenheid op 'de kerk'.

Het gaat niet allereerst erom of de mensen in de wereld zich betrokken voelen bij de kerk. Het komt erop aan of de mensen van de kerk betrokken zijn op de wereld en op de mensen die haar bewonen. Waar dat niet het geval is, moeten we vermijden om anderen aan te duiden als 'randkerkelijken'. En wellicht de moed hebben om onszelf te zien als 'randwereldlijken'.